Portugal is zo’n bestemming die bij veel Nederlanders op de automatische piloot in de favorietenlijst staat. En terecht, maar vaak om de verkeerde redenen. Mensen boeken een all-inclusive in Albufeira en denken dat ze Portugal hebben gezien. Zonde. Want als we bij Vakantieregios ergens een zwak voor hebben, is het wel voor dat weerbarstige strookje land aan de rand van Europa. Het is geen Spanje. Het is rauwer, de koffie is sterker (en goedkoper), en de oceaan is er meedogenloos koud, zelfs in augustus.
Ik kom er al ruim twintig jaar. Van de tijd dat je nog met escudo’s betaalde tot nu, waar de digitale nomaden de koffietentjes in Lissabon overnemen. Portugal heeft de laatste jaren een enorme vlucht genomen, maar als je even verder kijkt dan de standaard gidsjes, vind je nog steeds dat authentieke, ietwat melancholische land van weleer. We zoomen hier in op de drie grote trekkers: de hoofdstad, het bloemeneiland en de zuidkust. Maar dan wel met de eerlijke kanttekeningen die je van een echte reisgids mag verwachten.
Lissabon: Spierpijn en Pastéis
Laten we eerlijk zijn: Lissabon is een aanslag op je kuiten. De stad is gebouwd op zeven heuvels, maar na een dag slenteren voelt het alsof het er zevenentwintig zijn. En toch, die spierpijn neem je voor lief. Lissabon heeft een lichtinval die je nergens anders in Europa vindt. Het weerkaatst tegen die witte klinkertjes (pas op als het regent, die dingen zijn spekglad) en de azulejos op de gevels.
Iedereen roept altijd direct dat je tram 28 moet nemen. Mijn advies? Doe het niet, tenzij je geniet van staanplaatsen in een sardineblik vol toeristen terwijl je je tas krampachtig tegen je buik drukt. Kijk naar die tram, maak er een foto van, en ga vervolgens lopen. De wijken Alfama en Graça zijn te voet veel interessanter. Je ruikt er de wasverzachter van het wasgoed dat buiten hangt, gemengd met de geur van gegrilde sardines rond lunchtijd.
Eten is hier geen bijzaak
In tegenstelling tot de soms wat verfijndere keuken in Italië, is het eten in Lissabon vaak ‘boers’ en eerlijk. Je krijgt geen schilderijtje op je bord, maar je krijgt smaak. Bacalhau (klipvis) schijnen ze op 365 manieren te kunnen bereiden. Ik heb ze nog niet allemaal gehad, maar Bacalhau à Brás is de veilige en ontzettend lekkere instapper: vis, aardappelen, ui en ei door elkaar gehusseld. Ziet er niet uit, smaakt goddelijk.
En dan die beroemde Pastéis de Belém. Er staat altijd een rij. Altijd. Is het de hype waard? Ja. De bakkerij in Belém bakt ze al sinds 1837 en ze zijn warm, knapperig en precies zoet genoeg. Tip: loop de winkel helemaal in naar achteren. Vaak is er binnen plek in de zalen en hoef je niet in de afhaalrij te staan.
De “andere” kant van de Taag
Wil je het mooiste uitzicht op Lissabon? Pak dan de veerboot naar de overkant, naar Cacilhas. Daar loop je langs de kade naar restaurant Ponto Final (wel reserveren, want TikTok heeft deze plek helaas ook ontdekt). Je zit daar letterlijk aan het water met de stad als decor. Een glas Vinho Verde erbij voor een euro of drie, en je vraagt je af waarom je ooit nog terug zou gaan naar Nederland.
De Algarve: Meer dan lallende Engelsen
De Algarve heeft een reputatieprobleem. Noem de naam en mensen denken aan betonnen appartementencomplexen en pubs met ‘Full English Breakfast’. Dat bestaat, zeker. Maar de Algarve is zoveel groter dan de strip van Albufeira. Het westen en het oosten zijn werelden van verschil.
Wie voor de ruige natuur komt, moet naar de Westkust, de Costa Vicentina. Hier geen hoogbouw, maar kliffen waar de golven met geweld op stuk slaan. Plekken als Odeceixe of Arrifana zijn top, zeker als je van surfen houdt. Maar let op: de wind is hier de baas. Ik heb dagen meegemaakt dat je op het strand gezandstraald werd. Een windschermpje is hier geen bejaarden-accessoire, maar pure noodzaak.
Het water is ijskoud
Dit is iets wat reisgidsen vaak “vergeten” te melden. De Algarve ligt aan de Atlantische Oceaan, niet aan de Middellandse Zee zoals de Costa’s in Spanje of de eilanden van Griekenland. Het water wordt in de zomer zelden warmer dan 20 graden, en vaak is het eerder 18. Je duikt erin, je gilt even, en je bent weer wakker. Voor kinderen is dat soms even slikken als ze het badwater van Turkije gewend zijn.
Het achterland in
De echte charme van de Algarve vond ik pas toen ik de auto pakte en twintig minuten het binnenland in reed. Dorpjes als Silves (met dat enorme rode kasteel) of Loulé. In Loulé heb je een overdekte markt die eruitziet als een oosters paleis. Hier kopen de locals hun vis en groenten. De prijzen in de horeca duiken hier ook direct omlaag. Aan de kust betaal je de hoofdprijs, hier in de heuvels eet je Frango Piri-Piri (kip van de grill) voor een tientje.
Madeira: Vergeet het “bloemeneiland” cliché
Madeira stond jarenlang bekend als bejaardeneiland. Je ging erheen om tussen de geraniums te zitten wachten op het einde, zo leek het. Dat imago is compleet gekanteld. Tegenwoordig zit het vliegtuig vol met hikers, trailrunners en natuurliefhebbers. Het is een van de meest dramatische landschappen van Europa.
Landen op Madeira is overigens al een ervaring op zich. De landingsbaan van Funchal is deels op palen in zee gebouwd en de wind kan er spoken. Piloten moeten een speciale training volgen om er te mogen landen. Als je eenmaal veilig aan de grond staat, merk je direct dat het klimaat anders is. Het is subtropisch, vochtig en groen.
Het eiland is eigenlijk één grote berg die uit zee oprijst. Dat betekent dat je bijna nergens vlak loopt. De oplossing? Levada’s. Dit zijn irrigatiekanalen die kilometers lang door de bergen slingeren om water van het natte noorden naar het zonnige zuiden te brengen. Langs die kanaaltjes liggen onderhoudspaden en dat zijn nu de perfecte wandelroutes. Je loopt dwars door oerbossen en langs afgronden, maar het pad zelf blijft redelijk vlak.
Het weer is bipolair
Op Madeira kun je vier seizoenen in één dag hebben, en erger nog: vier seizoenen op één eiland op hetzelfde moment. Ik heb vaak meegemaakt dat ik in Funchal in de zon op een terras zat, de auto pakte naar de noordkant (bijvoorbeeld Porto Moniz met die natuurlijke zwembaden in de lava), en daar in de stromende regen en mist terechtkwam. Er loopt een bergrug over het midden van het eiland die de wolken tegenhoudt. Check altijd de webcams online voordat je de bergen in rijdt. Scheelt je een hoop frustratie.
- Probeer absoluut de Poncha. Het is de lokale drank gemaakt van suikerrietrum, honing en citroensap. Pas op: het drinkt weg als limonade, maar na twee glazen sta je wankel op je benen. De beste drink je in groezelige barretjes in de bergen, niet in de luxe hotelbars.
- Huur een auto met een beetje vermogen. De hellingen op Madeira zijn belachelijk steil. Met een klein 1.0 motootje kom je met zweet in je handen en een rokende koppeling boven. Betaal iets meer voor die sterkere motor, je gaat me dankbaar zijn.
Praktische zaken voor je Portugal-trip
Portugal is makkelijk te bereizen, maar er zijn een paar eigenaardigheden waar je als Nederlander even aan moet wennen. Het gaat allemaal net even anders dan we thuis gewend zijn.
Tolwegen en kastjes
Dit is een klassieke instinker. Portugal heeft twee soorten tolwegen. De normale, waar je bij een poortje een kaartje trekt en later betaalt, en de elektronische tolwegen (vaak aangegeven als ‘Electronic Toll Only’). Bij die laatste zijn géén hokjes. Je rijdt onder een camera door en die scant je kenteken.
Als je een huurauto hebt, vraag dan altijd om het ‘Via Verde’ kastje. Voor een paar euro per dag huur je dat transpondertje erbij en worden de tolkosten automatisch van je creditcard afgeschreven. Doe je dit niet, dan moet je achteraf bij het postkantoor (CTT) gaan betalen, wat een administratieve nachtmerrie is omdat het vaak pas dagen later in het systeem staat. Gewoon dat kastje nemen, scheelt een hoop stress.
Koffiecultuur
Vergeet de Starbucks. In Portugal drink je koffie staand aan de bar of zittend op een krakkemikkig stoeltje bij de pastelaria. Een espresso heet een bica (in Lissabon) of gewoon een café. De prijs? Vaak nog tussen de 70 en 90 cent. Als je ergens meer dan €1,50 betaalt, zit je in een tourist trap. En cappuccino drinken ze eigenlijk alleen bij het ontbijt. Bestel je het na het avondeten, dan kijken ze je aan alsof je gek bent, maar ze maken het wel voor je.
Tijden en ritme
In de Algarve zijn ze wel wat gewend qua eettijden, maar in het echte Portugal (en zeker in Lissabon) dineert men laat. Kom je om 18:30 uur een restaurant binnen, dan zit je alleen met het personeel of andere Noord-Europeanen. Vanaf 20:00 uur begint het pas een beetje te leven, en rond 21:00 uur is het piektijd. Lunchen is heilig en duurt lang, vaak warm en met wijn. Doe lekker mee met dat ritme; het is tenslotte vakantie.
Conclusie
Portugal is een land dat onder je huid kruipt. Het mist de perfectie van Zwitserland en de grandeur van Frankrijk, maar dat maakt het juist zo charmant. Of je nu kiest voor de stedelijke chaos van Lissabon, de dramatische kliffen van de Algarve of de jungle-vibes van Madeira: het land stelt zelden teleur, mits je weet wat je kunt verwachten.
Bereid je voor op ijskoud oceaanwater, legioenen aan trappen en wegen die soms nergens op slaan, maar ook op de warmste mensen, fantastische wijnen voor een prikkie en een sfeer die je dwingt om te onthaasten. En dat is uiteindelijk precies waar we voor op vakantie gaan.
