Laten we eerlijk zijn: iedereen denkt Spanje te kennen. Je bent er vroeger met je ouders geweest, je hebt een keer in Lloret gefeest of je boekt elk jaar blind een all-inclusive op Gran Canaria. Maar Spanje is zo’n land dat je elke keer weer verrast als je net even die ene afslag neemt die de TomTom niet aanraadt.
Ik kom er nu al meer dan twintig jaar, van rammelende busreizen in mijn studententijd tot roadtrips met de camper door het dorre binnenland. En nog steeds vind ik plekken waar ik nooit eerder van gehoord had. Vakantie in Spanje is eigenlijk niet onder één noemer te vangen. Het gapende gat tussen het groene, regenachtige Galicië in het noorden en de woestijnachtige vlaktes van Almería in het zuiden is gigantisch. Dat is ook precies de charme. Of je nu gaat voor de tapas, de bruisende steden of gewoon languit op een strandbedje wil liggen: hieronder vertel ik je wat je écht moet weten, voorbij de standaard VVV-praatjes.
De Costa’s: Welke moet je nou eigenlijk hebben?
De Spaanse kustlijn is oneindig lang en laten we wel wezen: er zitten stukken tussen die volledig verpest zijn door betonblokken uit de jaren ’70. Maar als je even verder kijkt, vind je goud. Het hangt er maar net vanaf wat voor type vakantieganger je bent.
De Costa Brava blijft voor mij persoonlijk de favoriet, puur vanwege het landschap. Die ruige rotsen met die typische pijnbomen die bijna in de zee vallen… dat verveelt nooit. Plaatsjes als Begur en Cadaqués (waar Dalí woonde) zijn prachtig, maar in juli en augustus is het er wel echt dringen. Parkeren is daar een ramp, dus mijn tip: ga in juni of september. Dan is het water warm genoeg en kun je daadwerkelijk je handdoek neerleggen zonder op de buurman te liggen.
Zoek je meer zonzekerheid en langgerekte zandstranden? Dan kom je al snel uit bij de Costa Blanca. Iedereen begint meteen over Benidorm – en ja, dat is een bizarre skyline van wolkenkrabbers en scootmobielen – maar rijd eens twintig minuten door naar Altea of Javea. Daar is de sfeer totaal anders, veel witter, authentieker en met uitstekende restaurants waar je niet alleen friet met frikandel kunt krijgen.
En dan hebben we het zuiden nog, de Costa del Sol in Andalusië. Eerlijk is eerlijk: Torremolinos en Malaga zijn druk. Maar Malaga heeft zich de afgelopen tien jaar getransformeerd tot een geweldige cultuurstad. Het Picasso museum, de haven, de eettentjes in het centrum… sla dit niet over op weg naar je hotel.
Het echte Spanje: Steden en Binnenland
Veel Nederlanders blijven aan de kust plakken. Zonde. Want zodra je die kuststrook verlaat, rijd je een ander land binnen. Het binnenland van Spanje is leeg, rauw en in de zomer bloedheet.
Als je van stedentrips houdt, is de eeuwige discussie: Barcelona of Madrid? Ik zal de knoop doorhakken:
- Barcelona heeft het strand en Gaudí, maar is inmiddels bijna bezweken onder het toerisme. Op de Ramblas hoor je amper nog Spaans. Het is prachtig, zeker de gotische wijk, maar voor de echte Spaanse vibe moet je tegenwoordig goed zoeken.
- Madrid daarentegen is puurder. Het ligt midden op de hoogvlakte (in de winter koud, in de zomer een oven), maar het leven daar is fantastisch. De musea zoals het Prado zijn wereldtop, en het nachtleven gaat door tot het ontbijt. Madrid voelt statiger, maar ook echter.
- Vergeet ook Sevilla en Granada niet. Het Alhambra in Granada is een van die dingen die je één keer in je leven gezien moet hebben. Let op: boek je tickets maanden van tevoren online. Ik heb al zo vaak mensen bij de ingang teleurgesteld zien afdruipen omdat ze dachten “dat regelen we daar wel even”. Niet dus.
De hitte in het binnenland
Kleine waarschuwing voor wie in juli of augustus het binnenland in trekt: 40 graden is geen uitzondering in steden als Sevilla of Córdoba. De locals noemen Sevilla in augustus niet voor niets “de braadpan van Spanje”. Als je daar niet tegen kunt, blijf dan aan de kust of ga in mei.
Eilandhoppen: Balearen vs. Canarische Eilanden
Spanje heeft twee smaken als het om eilanden gaat, en ze zijn totaal verschillend.
De Balearen (Mallorca, Ibiza, Menorca) in de Middellandse Zee zijn perfect voor de zomer.
Ibiza kent iedereen van de feesten en de bizarre prijzen (20 euro voor een mixdrankje is in de grote clubs normaal), maar het noorden van het eiland is verrassend rustig en groen. Hier vind je nog de hippie-vibe van vroeger. Mallorca heeft een slechte naam door de feestende jongeren in El Arenal, maar de rest van het eiland is waanzinnig mooi voor wielrenners en wandelaars. De Serra de Tramuntana bergketen is echt serieus klimwerk.
En dan de Canarische Eilanden. Dit is eigenlijk Afrika als je naar de kaart kijkt. Het grote voordeel: het is er in de winter ook 20+ graden.
Mijn persoonlijke favoriet voor een winterzonvakantie is Lanzarote. Het landschap is buitenaards, overal zwart vulkaangesteente en witte huisjes (dankzij kunstenaar César Manrique zijn er geen hoge hotels en reclameborden toegestaan). Het waait er wel altijd. Als je puur voor strand gaat, is Fuerteventura je beste gok, maar verwacht daar verder weinig cultuur.
Eten en drinken: gooi je ritme om
Dit is waar het vaak misgaat bij ons Nederlanders. We willen om 18:00 uur eten. In Spanje zijn de restaurants dan vaak nog dicht, of je zit in je eentje in een toeristenval met foto’s van het eten op de menukaart (loop daar sowieso altijd met een boog omheen).
De realiteit van het Spaanse eetritme:
- Ontbijt stelt niks voor. Een koffie en een geroosterd broodje met tomaat en olie (pan con tomate).
- De lunch (la comida) is de belangrijkste maaltijd. Tussen 14:00 en 16:00 uur. Hier eet je warm, vaak een ‘menú del día’. Voor een euro of 12 tot 15 krijg je drie gangen met wijn en brood. Dit is de beste manier om goedkoop en goed te eten.
- Dineren doe je pas na 21:00 uur. In de zomer zitten de terrassen om 23:00 uur nog vol met gezinnen en rennende kinderen.
Nog een dingetje over Paella. Wij zien het als avondeten, maar Spanjaarden eten dit bijna uitsluitend als lunch, en dan vooral op zondag. Als je ’s avonds paella bestelt, kijken ze je soms wat meewarig aan (en de kans is groot dat het opgewarmd is uit de magnetron). Probeer in plaats daarvan eens verschillende racciones (grotere tapas) te delen.
Met de auto of camper op pad
De Spaanse wegen zijn over het algemeen uitstekend. De afgelopen jaren is er veel veranderd rondom tolwegen (peajes). De beruchte AP-7 langs de Middellandse Zeekust is op veel plekken tolvrij geworden. Dat scheelt je zo een paar tientjes op een rit naar het zuiden. Let wel op: de benzine is niet meer zo spotgoedkoop als vroeger, al scheelt het nog steeds met Nederland.
Ga je met een camper? Spanje is campervriendelijk, maar de regels voor wildkamperen worden strenger, zeker in natuurparken en aan de kust. De politie (Guardia Civil) deelt boetes uit als je tafeltjes en stoeltjes buiten zet op een gewone parkeerplaats. Parkeren mag vaak wel om te slapen, maar ‘kampeergedrag’ wordt niet altijd getolereerd buiten de officiële campings.
Kleine dorpjes en smalle straatjes
Als je de witte dorpjes (pueblos blancos) in Andalusië gaat bezoeken: parkeer je auto aan de rand van het dorp. Echt, doe het nou maar. Ik heb mezelf eens vastgereden in een steegje in Frigiliana dat steeds smaller werd totdat ik mijn spiegels moest inklappen en alsnog niet verder kon. De Spaanse dorpskernen zijn gebouwd voor ezels, niet voor moderne SUV’s of campers.
Conclusie
Spanje is eigenlijk nooit ‘af’. Je kunt er tien keer heen gaan en tien keer een totaal andere vakantie hebben. Het is het land van de tegenstellingen: de drukte van de Ramblas tegenover de doodse stilte van de Extremadura; de luxe jachten in Puerto Banús tegenover de oude mannetjes die domino spelen op een dorpsplein voor een café waar de koffie nog €1,20 kost.
Als je die diversiteit omarmt en je een beetje aanpast aan hun ritme (dus rustig aan doen tussen 14:00 en 17:00), dan snap je waarom wij er bij Vakantieregios.nl steeds weer naar terugkeren. Pak de auto, rijd dat binnenland in en bestel gewoon iets van de kaart waarvan je niet precies weet wat het is. Meestal is dat het lekkerst.
