Laat ik meteen met de deur in huis vallen: Italië is voor mij geen vakantieland, het is een gemoedstoestand. Het moment dat je de Gotthardtunnel uitrijdt en die eerste warme, iets te zoete lucht inademt bij een tankstation net over de grens… dat doet iets met je. Ik reis er nu al meer dan twintig jaar naartoe, van kamperen met een lekkende tent aan het Gardameer tot chique agriturismo’s in Toscane, en toch blijft ‘De Laars’ verrassen.
Maar laten we eerlijk zijn: het is niet alleen maar romantiek en vioolmuziek. Het is ook vloeken op onbegrijpelijke parkeermeters in Florence, twee uur in de rij staan voor de Vaticaanse musea en je afvragen waarom de siësta (of riposo) precies begint op het moment dat jij honger krijgt. Italië moet je een beetje leren ‘gebruiken’. Als je de handleiding eenmaal snapt – en accepteert dat chaos onderdeel is van de charme – wil je eigenlijk nergens anders meer heen.
Het Noorden: Meer dan alleen de Hollandse enclave aan het Gardameer
Voor veel Nederlanders stopt Italië zo’n beetje bij Peschiera del Garda. Begrijpelijk, want het is aan te rijden in één dag (als je een beetje doorfietst op de Autobahn) en de voorzieningen zijn top. Maar als je de ‘echte’ Italiaanse sfeer zoekt, moet je soms net even dat ene bergweggetje linksaf slaan.
Neem nu de Dolomieten. Iedereen kent de plaatjes van de Drei Zinnen, maar de ervaring van een huttentocht (rifugio naar rifugio) is totaal anders dan een dagje kijken. Vorig jaar liep ik de Alta Via 1. Je komt ’s avonds aan in een berghut op 2.400 meter hoogte, je krijgt een bord polenta met stoofvlees voor je neus en een karaf huiswijn die minder kost dan een cola in Amsterdam. Er is geen wifi, wel een uitzicht waar je stil van wordt. Dat rauwe randje mis je vaak als je beneden in het dal blijft plakken.
Meren die je misschien overslaat (maar niet zou moeten)
Het Comomeer heeft de naam (en George Clooney), het Gardameer heeft de campings, maar kijk eens naar het Iseomeer of het Ledromeer. Het Ledromeer ligt letterlijk een paar honderd meter hoger dan het Gardameer, is een stuk koeler in de zomer en veel rustiger. Geen massatoerisme, wel ijskoud water en Italianen die er zelf hun weekend doorbrengen.
Centraal Italië: Toscane en de eeuwige concurrentie
Toscane is een merk geworden. Als je in juli of augustus naar San Gimignano gaat, loop je letterlijk over de hoofden. Is het mooi? Absoluut. Dat lichtschijnsel over de heuvels van de Val d’Orcia rond zeven uur ’s avonds is onbetaalbaar. Maar je betaalt er tegenwoordig ook de hoofdprijs voor. Een simpele lunch op een piazza in Siena kan je zomaar 80 euro kosten als je niet oplet.
Mijn tip? Rij een stukje naar het oosten: De Marken (Le Marche) of Umbrië.
Umbrië wordt vaak het ‘groene hart’ genoemd en heeft steden als Perugia en Assisi die minstens zo indrukwekkend zijn als hun Toscaanse tegenhangers, maar vaak net iets ruwer en puurder aanvoelen. In De Marken vind je nog die ouderwetse gastvrijheid waarbij de eigenaar van het restaurant aan je tafel komt zitten om te vertellen dat de pasta door zijn moeder is gemaakt (en dat is dan ook echt zo, niet alleen voor de show). De stranden bij de Monte Conero zijn trouwens prachtig, met witte kliffen die zo de azuurblauwe zee in duiken.
Stedentrips: De heilige drie-eenheid en de valkuilen
Rome, Florence, Venetië. Je moet ze gezien hebben. Maar mijn hemel, wat kan het daar misgaan als je onvoorbereid gaat. De grootste fout die ik mensen zie maken, is dat ze proberen te veel te doen in te weinig tijd, midden op de dag.
- Venetië in de zomer stinkt soms. Echt waar. Het water staat laag, het is heet, en het is druk. Ga in november of januari. De mist die dan over de kanalen hangt, maakt de stad mysterieus en – nog belangrijker – er is bijna niemand. Dan pas voel je de historie.
- In Rome moet je de wekker zetten. Wil je de Trevifontein voor jezelf? Zorg dat je er om 06:30 uur staat. Tegen 09:00 uur is het een mierennest van selfie-sticks. En loop eens door naar de wijk Monti of Testaccio voor het eten; de restaurants rondom het Pantheon zijn vaak ’tourist traps’ met plaatjes op de menukaart (altijd een slecht teken).
- Florence is fantastisch, maar in de zomer is het een oven. De stad ligt in een kom, waardoor de hitte blijft hangen. Plan je museumbezoek (Uffizi!) rond het middaguur voor de airco, en ga de stad pas weer in als de zon zakt.
Het Zuiden: Waar Europa eindigt en Afrika begint
Ten zuiden van Rome verandert er iets. De wegen worden slechter, de mensen luider, en het eten… tja, het eten wordt nóg beter. Napels is voor veel mensen een cultuurshock. Het is vies, chaotisch en luidruchtig. Brommers rijden over de stoep, stoplichten zijn decoratie en de vuilnisophaling is ‘creatief’. Maar Napels leeft. De pizza bij Da Michele (ja, die van die film) is echt de wachttijd waard, al sta je een uur buiten.
Nog zuidelijker kom je in Puglia, de hak van de laars. Hier vind je de Trulli-huisjes (Alberobello is leuk, maar wel erg Efteling-achtig geworden door de drukte) en de barokstad Lecce. Wat mij hier opviel was de prijs-kwaliteitverhouding. Je eet hier de beste burrata van je leven voor een paar euro.
En dan Sicilië en Sardinië. Eigenlijk zijn dit landen op zich. Sicilië is een mengelmoes van Griekse tempels, Arabische markten en Normandische kathedralen. Als je de Etna opgaat, neem dan echt een warme jas mee, ook als het beneden 30 graden is. Boven waai je uit je hemd en is het rond het vriespunt. Niets zo lullig als rillend in je korte broek op een vulkaan staan (ik spreek uit ervaring).
Praktische overlevingsgids voor nuchtere Hollanders
Italië kent een hoop ongeschreven regels. Als je die niet kent, sta je vaak met je mond vol tanden of voel je je ongemakkelijk. Hier een paar dingen die ik door schade en schande heb geleerd.
De koffie-religie
Koffie is heilig, maar kent strikte dogma’s. Cappuccino drink je bij het ontbijt. Punt. Bestel je er eentje na 11:00 uur of – erger nog – na het avondeten, dan krijg je hem wel, maar de ober kijkt je aan alsof je zojuist zijn moeder hebt beledigd. “Melk is een maaltijd,” redeneren ze, “en dat gooi je niet bovenop een bord pasta.” Na het eten drink je een espresso (un caffè).
Let ook op de prijs: in veel bars betaal je aan de bar (al banco) aanzienlijk minder dan wanneer je gaat zitten (al tavolo). In Venetië op het San Marcoplein kan dat het verschil zijn tussen 1,50 euro en 12,00 euro voor dezelfde koffie. Geen grap.
ZTL: De schrik van elke automobilist
Dit is serieus: let op borden met Zona a Traffico Limitato (ZTL). Dit zijn zones in historische binnensteden waar je als toerist niet mag rijden. De camera’s zijn genadeloos. Ik heb wel eens mensen gesproken die zes maanden na hun vakantie in Pisa opeens drie boetes van 100 euro op de mat kregen omdat ze rondjes reden op zoek naar een parkeerplek. Parkeer gewoon buiten het centrum en loop of pak de bus. Het bespaart je een hoop stress.
Coperto en fooi
Op je bon zie je vaak pane e coperto staan. Dat is een vast bedrag per persoon (meestal 2 of 3 euro) voor het ‘gebruik’ van tafel, bestek en brood. Dit is heel normaal. Omdat dit al berekend wordt, is fooi geven in Italië minder verplicht dan in bijvoorbeeld Amerika. Vaak ronden Italianen het bedrag gewoon een beetje af naar boven of laten wat kleingeld liggen. Je hoeft echt geen 10 of 20 procent bij te lappen, tenzij de service buitenaards goed was.
Rijden in Italië
De Italiaanse rijstijl lijkt agressief, maar is eigenlijk heel voorspelbaar: iedereen let vooral op wat er voor hem gebeurt. Spiegels zijn optioneel. Op de snelweg (Autostrada) wordt er stevig doorgereden en bumperkleven is volkssport nummer één. Raak niet in paniek. Blijf rechts, laat de haastige types in hun Audi’s passeren en geniet van het ritje. Oh, en de linkerbaan is écht alleen om in te halen; blijf daar niet hangen, want je krijgt grootlicht in je nek voordat je met je ogen kunt knipperen.
Tot slot: Il dolce far niente
Uiteindelijk gaat een vakantie in Italië om ‘het zoete nietsdoen’. Wij Nederlanders zijn vaak geneigd om onze vakantie vol te plannen. Vandaag Siena, morgen Lucca, overmorgen Pisa. Maar de beste herinneringen aan Italië heb ik aan de momenten dat er niets gepland was. Zitten op een muurtje met een ijsje dat zo snel smelt dat het over je handen loopt. Kijken naar oude mannetjes die heftig discussiëren over politiek of voetbal op het dorpsplein.
Dus laat dat strakke schema eens los. Bestel die karaf wijn bij de lunch, ook al is het pas 13:00 uur. Eet pizza als ontbijt als je daar zin in hebt. In Italië draait het niet om efficiëntie, maar om kwaliteit van leven. En daarin kunnen wij, met onze agenda’s en broodje kaas, stiekem nog best wat van ze leren.
