Vakantie Griekenland: Eilanden, Cultuur en Zon

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: Griekenland is verslavend. Niet op de manier van “oh, dat was een leuk reisje”, maar meer dat je na thuiskomst in Nederland je supermarkt-feta proeft en denkt: wat is dit voor zoutig gummi? Ik kom er al jaren, van krakkemikkige brommers huren op Karpathos tot verdwalen in de betonnen chaos van Athene, en elke keer pakt het land me weer in.

Veel mensen denken bij Griekenland direct aan de witte huisjes met blauwe koepels. En ja, die heb je op Santorini. Maar Griekenland is zoveel rommeliger, ruiger en diverser dan dat ene plaatje op de yoghurtverpakking. Het is de geur van wilde tijm die je tegemoet waait zodra je uit het vliegtuig stapt, het constante getoeter in de steden en de ongeschreven regel dat je nooit, maar dan ook nooit haast mag hebben als je op een terras gaat zitten.

Het vasteland: Vaak vergeten, volkomen onterecht

Hier gaat het vaak mis bij de planning. Iedereen wil eilandhoppen. Logisch, heb ik ook gedaan. Maar in mijn ervaring vind je het ‘echte’ Griekenland, dat waar de prijzen nog normaal zijn en de ober niet drie talen spreekt, juist op het vasteland. De Peloponnesos is daarvoor mijn absolute favoriet.

Stel je voor: je pakt een huurauto vanuit Athene (zodra je de stad uit bent, is het rijden prima te doen) en je zakt naar het zuiden. Binnen een uur sta je bij het Kanaal van Korinthe. Rij je door, dan kom je in Nafplio. Eerlijk is eerlijk, Nafplio is misschien wel de meest sfeervolle stad van heel Griekenland, inclusief de eilanden. Marmeren pleinen, Venetiaanse forten en bougainvillea die overal tegenaan groeit. En het mooie is: je rijdt vanuit daar zo naar plekken als Epidaurus of Mystras zonder dat je afhankelijk bent van veerboot-schema’s die op het laatste moment wijzigen.

Eilandhoppen: De kunst van het kiezen

Wil je toch de zee op? Snap ik. Maar “de Griekse Eilanden” bestaan niet als één pakket. Er zijn enorme verschillen in sfeer, natuur en—niet onbelangrijk—wind. Ja, wind. In juli en augustus waait de Meltemi in de Egeïsche Zee. Dat is geen briesje, dat is een föhn die op standje orkaan staat. Heerlijk verkoelend, maar het betekent ook dat je op sommige stranden gezandstraald wordt.

Er zijn grofweg een paar smaken waar je uit kiest:

  • De Cycladen zijn die klassieke witte huisjes op kale rotsen. Mykonos en Santorini zijn hier de duurste jongens van de klas, en eerlijk gezegd in het hoogseizoen bijna niet leuk meer door de drukte. Kijk liever naar Naxos of Paros als je die sfeer zoekt maar nog wel ademruimte wilt.
  • Aan de andere kant van het land liggen de Ionische eilanden, zoals Corfu, Zakynthos en Kefalonia. Hier regent het in de winter veel meer, en dat zie je: alles is knalgroen. De sfeer is hier wat Italiaanser, de cipressen staan parmantig in het landschap en de zee is hier bizar helder blauw.
  • Dan heb je nog Kreta. Kreta is eigenlijk een land op zich. Je kunt daar twee weken zitten en nog maar 10% van het eiland hebben gezien. Als je van ruige bergen houdt en niet bang bent voor een paar uur rijden door kloven, dan is Zuid-Kreta echt fantastisch.

Over die veerboten gesproken

Een typische beginnersfout is denken dat de veerboten in Griekenland werken als de trein in Nederland. Soms wel, vaak niet. De grote boten (Blue Star Ferries, die enorme jongens) varen meestal wel op tijd en gaan ook met stevige wind gewoon door. De snelle catamarans (zoals Seajets) zijn duurder, sneller, maar… bij windkracht 6 of 7 blijven ze vaak in de haven liggen of wordt iedereen zeeziek. Ik heb eens vier uur lang mensen zien lijden op een ‘snelle’ boot van Mykonos naar Naxos. Doe jezelf een lol: als je niet gebonden bent aan tijd, pak die grote, langzame veerboot. Veel relaxter, je kunt lekker buiten op het dek staan en het kost de helft.

Culinair Griekenland: Vergeet de ‘Toeristen-Moussaka’

Toen ik voor Vakantieregios.nl voor het eerst een food-trip maakte door Griekenland, leerde ik al snel: bestel geen hoofdgerecht. Nederlanders zijn gewend: jij neemt de steak, ik de pasta. In Griekenland werkt dat niet. Je bestelt Mezedes. Gewoon, vijf of zes voorgerechten voor het midden van de tafel en delen maar. Keftedes (gehaktballetjes), Tzatziki (altijd doen, ook al stink je een uur in de wind), Fava en Saganki (gebakken kaas).

Nog een dingetje over de wijn. Je krijgt vaak de kaart, maar vraag de ober gewoon naar de huiswijn (“Retsina” als je van hars houdt, anders gewoon “Lefko” voor wit). Die komt vaak in van die koperen of aluminium kannetjes, kost bijna niks en is vaak verrassend goed te drinken. Het is geen Grand Cru, maar met 30 graden en uitzicht op zee smaakt het perfect.

Praktische zaken die niemand je vertelt

Reisgidsen staan vol met openingstijden van musea, maar de echte praktische zaken leer je pas door schade en schande. Hier zijn een paar dingen die ik door de jaren heen heb opgepikt:

  • Het toiletpapier-verhaal is geen fabeltje. Op heel veel plekken, zelfs in redelijke hotels, moet het papier in het emmertje naast de WC en niet in de pot. De rioleringen zijn vaak smal (buizen van 50mm in plaats van 100mm). Negeer dit alsjeblieft niet, tenzij je graag uitleg geeft aan een boze hoteleigenaar met een ontstopper.
  • De siësta is heilig, ook al noemen ze het niet altijd zo. Tussen 14:00 en 17:00 ligt het leven in dorpen stil. Winkels gaan dicht, mensen slapen. Ga in die tijd niet driftig op zoek naar een apotheek, maar ga zelf ook gewoon even liggen of naar het strand.
  • Contant geld is nog steeds koning in de kleine dorpen. Ja, door de belastingwetten moeten ze overal pinautomaten (POS) hebben, maar vaak is het apparaat “stuk” of is de verbinding slecht. Zorg dat je altijd 50 tot 100 euro cash op zak hebt in kleine coupures.
  • Water uit de kraan is een twijfelgeval. Op het vasteland in Athene kun je het prima drinken. Op de eilanden? Niet doen. Het is vaak ontzilt zeewater; veilig om je tanden mee te poetsen, maar niet lekker voor je koffie. Flessenwater is spotgoedkoop en overal te krijgen.

Athene: Sla het niet over

Vroeger zeiden mensen: “Land in Athene en zorg dat je zo snel mogelijk op de boot naar een eiland zit.” Zonde. Athene is de laatste tien jaar enorm veranderd. De wijken rondom de Akropolis, zoals Plaka en Monastiraki, zijn toeristisch maar gezellig. Maar loop eens door naar Psiri of koukaki. Daar zie je de rauwe energie van de stad. Graffiti kunstwerken van wereldniveau, hippe koffietentjes naast oude mannetjes die backgammon spelen.

Een tip voor de zomermaanden: de Akropolis is in de middag een bakplaat. Er is nul schaduw en het witte marmer reflecteert de hitte. Ga in de ochtend direct om 08:00 uur, of pas laat in de middag voor sluitingstijd. Dat scheelt je niet alleen een zonnesteek, maar ook duizenden selfie-sticks.

Wanneer moet je gaan?

Mijn persoonlijke mening? Vermijd augustus als je kunt. Dan hebben de Grieken zelf vakantie, heel Italië steekt over naar de Ionische eilanden en de prijzen gaan drie keer over de kop. Mei en juni zijn prachtig omdat alles nog in bloei staat. Maar september… september is goud. De zee is de hele zomer opgewarmd en dus heerlijk lauw, de grootste drukte is weg en de warmte is een stuk aangenamer.

Griekenland is uiteindelijk een land waar je je aan moet overgeven. Dingen gaan soms fout, de bus komt te laat, of de elektriciteit valt even uit. Haal je schouders op, bestel nog een Iced Coffee (Freddo Espresso, als je erbij wilt horen) en geniet. Zoals ze daar zeggen: Siga Siga. Rustig aan.