Vakantie Toscane: Glooiende Heuvels, Wijn en Renaissance

Toscane is zo’n bestemming waar iedereen een mening over heeft. Je tante, je buurman, de bakker – iedereen is er ‘ooit’ geweest en heeft “het beste restaurantje” gevonden dat toevallig net buiten San Gimignano ligt. En eerlijk is eerlijk: ze hebben gelijk om enthousiast te zijn. Maar Toscane is ook een regio die bijna slachtoffer is geworden van zijn eigen succes. Als je niet oppast, sta je uren in de rij voor de Uffizi in Florence of betaal je zes euro voor een flesje water in Pisa.

Ik kom er nu al meer dan vijftien jaar, soms met de camper, soms vliegend op Pisa en dan met een huurauto de binnenlanden in. Het blijft trekken. Niet vanwege de gelikte folders, maar omdat het licht daar in de namiddag – zo rond een uur of vijf in september – iets doet met het landschap dat je nergens anders in Europa ziet. Goudgeel, stoffig, en doorsneden met die kaarsrechte rijen cipressen. Hier lees je geen standaard VVV-promotiepraatje, maar hoe het er echt aan toegaat in de laars van Italië.

De “Grote Drie”: Florence, Siena en Pisa (en hoe je ze overleeft)

Laten we de olifant in de kamer maar meteen benoemen: Florence (Firenze) is druk. Zeker in juli en augustus is het er eigenlijk te heet en te vol. Maar je kunt Toscane niet doen zonder de Duomo te zien. Mijn advies? Ga vroeg. Héél vroeg. Zorg dat je om 08:00 uur in de stad bent. Dan zie je de stad wakker worden, de leveranciers met hun karretjes en de barista’s die hun eerste espresso’s tappen.

Als je klaar bent met de Ponte Vecchio (waar je vooral goudwinkels ziet en toeristen), steek dan de rivier de Arno over naar de wijk Oltrarno. Hiero, aan de ‘andere kant’, zitten de werkplaatsen waar ze nog echt met leer en hout werken, en de trattoria’s waar je voor €12,- een bord pici al cinghiale (pasta met wildzwijn) eet waar je u tegen zegt.

Siena: De eeuwige rivaal

Persoonlijk vind ik Siena sfeervoller dan Florence. Het is rauwer, middeleeuwser. Alles draait hier om de Contrade (stadswijken). Loop je door een straat en zie je overal vlaggen met een rups of een gans? Dan ben je in die wijk. Het Piazza del Campo is misschien wel het mooiste plein van Italië. Ga gewoon op de grond zitten, net als de Italianen. Er is geen betere plek om mensen te kijken. Let wel op: Siena is gebouwd op heuvels. Je kuiten gaan het voelen.

Pisa: Meer dan die scheve toren

Een controversiële mening misschien: Pisa doe je in een halve dag. Je gaat naar het Campo dei Miracoli, maakt die verplichte foto waarbij je de toren tegenhoudt (ja, iedereen doet het, het is oké), en dan ben je er wel klaar mee. Veel interessanter is Lucca, dat een halfuurtje verderop ligt. Lucca heeft volledig intacte stadsmuren waar je overheen kunt fietsen. En daar bedoel ik geen smal paadje mee; het is een brede laan met bomen. Huur een fiets bij de stadspoort, rondje van 4 kilometer, en sluit af met een ijsje op het Piazza dell’Anfiteatro.

Het landschap: Chianti vs. Val d’Orcia

Mensen gooien ‘Toscane’ vaak op een hoop, maar er is een groot verschil tussen het noorden en het zuiden. Als je wijnliefhebber bent, moet je in de Chianti-streek zijn, grofweg tussen Florence en Siena. Dit is heuvelachtig, veel bos, en natuurlijk wijngaarden zover het oog reikt. De route SR222, oftewel de Chiantigiana, is een van de mooiste autoroutes die je kunt rijden. Stop bij een willekeurig wijnhuis waar zo’n zwarte haan (Gallo Nero) op het bord staat; dat is het keurmerk voor de echte Chianti Classico.

Ga je zuidelijker, voorbij Siena, dan kom je in de Val d’Orcia. Dát is het beeld van de ansichtkaarten. Glooiende graanvelden, vaak al geoogst in de zomer waardoor ze goudgeel zijn, met hier en daar een eenzame boerderij op een heuveltop. Het landschap is hier leger, wijdser. Dorpjes als Pienza en Montalcino zijn hier de trekkers.

In Pienza ruik je de kaas letterlijk als je door de straten loopt. Pecorino di Pienza is wereldberoemd. Stap zo’n winkeltje binnen en vraag om te proeven (‘posso assaggiare?’). Ze hebben ze in alle soorten: jong, oud, gerijpt in wijnbladeren of zelfs in as.

De kust: Viareggio tot de Maremma

Veel Nederlanders vergeten dat Toscane een enorme kustlijn heeft. Verwacht hier geen verlaten baaitjes zoals in Griekenland; de Italiaanse strandcultuur is… georganiseerd. In plaatsen als Viareggio en Forte dei Marmi zie je rijen perfect uitgelijnde strandstoelen en parasols (de zogenaamde bagni). Je betaalt flink voor een dagje, soms wel €30 tot €50 voor twee bedjes en een parasol, maar daar krijg je wel schone toiletten, douches en een bar bij.

Zoek je iets ruigers? Rij dan door naar het zuiden, naar de Maremma. Dit was vroeger moerasland waar cowboys (de butteri) rondreden. Het is er wilder, minder aangeharkt. Hier vind je nog stranden waar je gewoon je handdoek in het zand kunt leggen zonder entree te betalen. Ook ligt hier het schiereiland Monte Argentario, wat door een dam met het vasteland is verbonden. Prachtig, maar in de weekenden wel druk met Romeinen die de stad ontvluchten.

Eten en drinken: Geen fratsen

De Toscaanse keuken is een boerenkeuken. ‘Cucina povera’ noemen ze dat trots. Geen ingewikkelde sauzen, maar pure ingrediënten. Een paar dingen die je echt moet weten:

  • Brood zonder zout. In Toscane bakken ze pane sciocco. De eerste hap denk je: “hé, ze zijn iets vergeten”. Maar dat is expres, omdat de belegsoorten (ham, kaas) en stoofpotten al zout genoeg zijn. Het went na twee dagen.
  • De Bistecca alla Fiorentina is geen gewone biefstuk. Het is een T-bone van het Chianina-rund, weegt vaak meer dan een kilo en wordt per hectogram (hg) afgerekend op de menukaart. Bestel hem nooit ‘well done’, de ober zal je simpelweg weigeren of je meewarig aankijken. Hij komt ‘al sangue’ (bloedend) op tafel.
  • Olijfolie oogsttijd is november. Als je in die periode gaat, proef je de ‘olio nuovo’. Die is felgroen en prikt achter in je keel. Een sensatie.

Rijden in Toscane: De ZTL-valkuil

Ik kan dit niet vaak genoeg benadrukken, want ik krijg nog steeds mailtjes van lezers die hiermee de mist in zijn gegaan. In bijna elk Italiaans stadje, en zeker in de toeristische trekpleisters in Toscane, heb je ZTL-zones (Zona a Traffico Limitato). Dit zijn autoluwe zones in de historische centra.

Soms staat er een duidelijk stoplicht, soms alleen een bord met een rode cirkel. Rij je hier voorbij zonder vergunning? De camera registreert je kenteken en drie maanden later ligt er een boete van grofweg €90 (exclusief administratiekosten van je verhuurder) op de deurmat. Google Maps waarschuwt hier niet altijd voor. Let dus zelf extreem goed op die borden.

Praktische tips voor je planning

Toscane is groot, groter dan je denkt op de kaart. Van het marmer in Carrara in het noorden tot de thermale baden van Saturnia in het zuiden is al snel 3,5 uur rijden zonder file. Kies dus een uitvalsbasis of maak een rondreis waarbij je elke paar dagen verkast.

  • Agriturismo’s zijn de beste manier om de sfeer te proeven. Je slaapt letterlijk bij de boer, vaak in verbouwde stallen of landhuizen. Het varieert van basic (tussen de kippen) tot ultra-luxe met infinity pool. Boek dit wel op tijd, de mooiste plekjes zitten in januari vaak al vol voor de zomer.
  • Thermale baden zijn vaak gratis. Saturnia is de bekendste (die watervallen die je op Instagram ziet), maar daardoor ook stervensdruk. Probeer eens de baden van Bagni San Filippo. Iets kleinschaliger, midden in het bos. Ruikt wel flink naar zwavel (rotte eieren), dus neem oude zwemkleding mee.
  • Reis je in augustus? Weet dat Italië dan zelf ook vakantie heeft. Ferragosto (15 augustus) is heilig. De kustwegen zitten verstopt en restaurants aan zee zijn maanden van tevoren gereserveerd. Mei, juni en september zijn klimaat-technisch en qua drukte véél aangenamer.

Toscane gaat niet om lijstjes afvinken. Het gaat om die keer dat je per ongeluk een verkeerde afslag nam en bij een dorpsfeest belandde waar ze net het nieuwe wijnseizoen vierden. Of dat je in San Gimignano ’s avonds door de straten loopt als alle dagjesmensen met hun bussen weer vertrokken zijn. Dan is de magie echt.