Toscane. Gooi dat woord in een willekeurige verjaardagskring en je ziet de blikken meteen afdwalen. Mensen beginnen te brabbelen over “het echte leven”, cipressenlanen en wijn die thuis nooit zo smaakt als daar op dat terrasje. En eerlijk is eerlijk: ze hebben gelijk. Maar Toscane is ook de plek waar je als onvoorbereide toerist genadeloos in de val loopt van te dure cappuccino’s, files op de rondweg van Florence en restaurants die teren op vergane glorie.
Ik kom nu al zo’n vijftien jaar in deze regio – van studentenreizen met een rammelende Fiat Panda tot familie-uitjes in luxere villa’s – en als ik één ding heb geleerd: Toscane moet je leren ‘lezen’. Het is geen pretpark waar je zomaar naar binnen wandelt en de magie vanzelf gebeurt. Je moet weten waar je moet kijken.
In dit artikel ga ik voorbij de standaard VVV-praatjes. We duiken in de combinatie die deze regio écht interessant maakt: de cultuur (zonder uren in de rij te staan) en het fenomeen agriturismo.
Stedenbezoek: Florence is geweldig, maar heb je zenuwen van staal?
Iedereen wil naar Florence (Firenze). Logisch. De Duomo is bizar indrukwekkend en de Uffizi hangt vol met meesters die je eigenlijk alleen van de geschiedenisboeken kent. Maar laten we even realistisch zijn over een bezoek in juli of augustus. Het is heet. En dan bedoel ik niet ‘lekker zomers’, maar stilstaande, drukkende hitte in smalle steegjes die ruiken naar uitlaatgassen en duizenden toeristen.
Mijn advies? Als je in de zomer gaat, bezoek Florence dan ’s avonds. Na 18:00 uur vertrekken de dagjesmensen en tourbussen. De sfeer verandert compleet. De Arno rivier kleurt goud, de straatmuzikanten op de Ponte Vecchio zijn ineens sfeervol in plaats van irritant, en je kunt daadwerkelijk ademhalen.
Wil je toch overdag cultuur snuiven zonder de massa? Sla Florence een keertje over en rij naar Lucca of Siena.
- In Lucca huur je een fiets. Klinkt oer-Hollands, maar fietsen over de brede stadsmuren is de ultieme manier om de stad te zien. Je kijkt letterlijk de oude binnenstad in. Het is er vlak, schaduwrijk door de platanen en aanzienlijk rustiger dan Florence.
- Siena is rauw en middeleeuws. Het Piazza del Campo loopt schuin af als een schelp. Ga daar gewoon eens een half uur op de grond zitten (doet iedereen). Haal een stuk pizza bij een bakkerij in een zijstraat – niet aan het plein zelf, want dan betaal je de hoofdprijs – en kijk naar de mensen. Dat is vaak interessanter dan het zoveelste museum.
- Vergeet ook Arezzo niet. Veel mensen rijden hier voorbij, maar het centrale plein is misschien wel een van de mooiste van Italië. Hier is de film La Vita è Bella opgenomen. Minder toeristen, betere prijzen voor je espresso en minstens zoveel sfeer.
Het Agriturismo-fenomeen: Waarom je nooit meer naar een hotel wil
Als je via Vakantieregios.nl zoekt, zul je zien dat we vaak agriturismo’s aanraden. Voor wie het concept niet kent: het is in de basis logeren bij de boer. Maar denk daarbij niet aan modderlaarzen en koeienvlaaien (hoewel, soms wel), maar aan gerestaureerde landhuizen met zwembaden tussen de olijfbomen.
Waarom is dit de beste manier om Toscane te ervaren?
Ten eerste omdat je de stad uit bent. Toscane is op z’n mooist als je ’s ochtends wakker wordt, het raam openzwaait en alleen krekels hoort. De geur van droog gras en wilde kruiden is specifiek voor deze regio. Een hotel in de stad kan dat niet bieden.
Daarnaast is er het eten. Een goede agriturismo produceert zijn eigen wijn, olijfolie en vaak ook groenten. Ik zat vorig jaar bij een kleine boerderij in de buurt van San Gimignano. De eigenaresse, een vrouw van in de zeventig die weigerde Engels te spreken, kookte drie keer per week voor de gasten. Geen menukaart. Je at wat zij die dag had gemaakt.
Meestal krijg je dan schalen vol pici (een soort dikke, handgerolde spaghetti) met een ragù van wild zwijn, gegrilde groenten uit de tuin en flessen Chianti zonder etiket die zo op tafel worden geknald. Voor 25 of 30 euro p.p. eet je beter dan in menig sterrenrestaurant. Dit is geen marketingpraatje; dit is hoe de Italianen zelf het liefste eten.
Zo kies je een goede agriturismo
Het aanbod is enorm en de kwaliteit wisselt. Let op een paar specifieke dingen als je boekt:
- Kijk naar de toegangsweg. Staat er “strada bianca” of “onverharde weg” in de reviews? Wees voorbereid op stof. Veel van de mooiste plekken liggen aan het eind van een kilometerslang grindpad. Je auto wordt wit van het stof, maar de locatie is het vaak waard. Heb je een verlaagde sportauto? Zoek dan even verder.
- Check of ze zelf produceren. Een ‘echte’ agriturismo moet volgens de Italiaanse wet een agrarische activiteit hebben. Als ze alleen kamers verhuren zonder landbouw, is het eigenlijk gewoon een B&B in de polder. De charme zit hem juist in die olijfoogst of wijnproductie.
- Zwembad is cruciaal in de zomer. In het binnenland van Toscane, ver van de kust, kan het in juli en augustus makkelijk 35 tot 40 graden worden. Zonder zwembad smelt je weg.
Rijden in Toscane: De ZTL-nachtmerrie
Dit is het deel waar ik even streng moet zijn. Ik heb te vaak verhalen gehoord van mensen die thuiskwamen met drie boetes op de mat. Italië kent de ZTL: Zona a Traffico Limitato. Vrijwel elke stad of groter dorp in Toscane heeft zo’n zone in het historische centrum. Alleen bewoners mogen erin.
De borden zijn wit met een rode cirkel. Er hangen camera’s bij. Rijd je voorbij dat bord? Flits. Die boete is geen tientjeswerk, reken op ruim 100 euro per overtreding. En als je een rondje zoekt om te parkeren en je rijdt drie keer langs die camera, krijg je drie boetes. Geen genade.
Parkeer daarom altijd net buiten de muren of in de grote aangegeven parkeergarages. In Florence zijn de parkeerkosten fors (reken op €25 tot €35 per dag), maar dat is nog altijd goedkoper dan een ZTL-boete.
Eten en drinken: Meer dan alleen wijn
Natuurlijk, Chianti is de beroemdste wijnstreek. Die flessen met dat haantje op de hals. Rij de route van Greve naar Castellina in Chianti (de SR222) en je snapt waarom mensen hier verliefd worden. Elke bocht is een ansichtkaart.
Maar qua wijn zou ik je willen wijzen op de Vino Nobile di Montepulciano of de zware jongens uit Montalcino (Brunello). Deze wijnen zijn vaak wat steviger en complexer. Bezoek je een wijnhuis? Doe dit dan niet op de bonnefooi bij de allergrootste namen, want daar sta je in de rij voor een slokje. Zoek naar bordjes langs de weg met Vendita Diretta (directe verkoop). Vaak sta je daar met de boer zelf te proeven tussen de vaten.
En dan het vlees. De Heilige Graal van de Toscaanse keuken is de Bistecca alla Fiorentina. Dit is geen gewoon biefstukje. Het is een T-bone steak van het Chianina-rund, minstens drie vingers dik. Hij wordt per ‘etto’ (100 gram) verkocht en weegt vaak tussen de 1 en 1,5 kilo. Bestel ‘m niet “well done”, want de ober zal je waarschijnlijk uitlachen of weigeren. Hij komt rood en warm van binnen, met een korst van zeezout en olijfolie. Deel hem met z’n tweeën, bestel er wat witte bonen (fagioli) bij en je hebt de beste lunch van je leven.
Praktische tips voor je reisplanning
Nog een paar laatste dingen die ik je wil meegeven voordat je de koffers pakt. Toscane is groot. Van het noorden (Lunigiana) naar het zuiden (Val d’Orcia) is een flinke rit, zeker binnendoor. Verkijk je niet op de afstanden op de kaart. 50 kilometer over slingerende heuvelwegen kost je makkelijk een uur, en als je achter een tractor zit nog langer.
Boek belangrijke tickets vooraf. De koepel van de Duomo in Florence beklimmen? Dat moet je vaak weken van tevoren reserveren. Hetzelfde geldt voor de scheve toren van Pisa. Er is niets zo frustrerend als daar staan en horen dat de volgende plek over drie dagen is.
En tot slot: laat het perfecte plaatje soms even los. Toscane is prachtig, maar ook stoffig, luidruchtig en soms chaotisch. Dat is onderdeel van de charme. Ga zitten op een terras, bestel een Spritz (ja, die kosten hier soms maar 4 of 5 euro) en kijk hoe het leven voorbij trekt. Dat ‘dolce far niente’, het zalige nietsdoen, dat kunnen ze hier als de besten. En dat is uiteindelijk waarom we gaan.

