Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen: als je denkt dat Curaçao gewoon “Nederland met palmbomen” is, kom je van een koude kermis thuis. Of nou ja, een warme kermis, want koud is het er nooit.
Ik kom er nu al jaren en elke keer als ik die aankomsthal op Hato uitloop, klapt die warmte weer in mijn gezicht als een natte handdoek. Heerlijk, maar ook even schakelen. Veel mensen boeken een ticket naar Willemstad met het idee dat ze in een soort tropisch Zandvoort terechtkomen waar toevallig iedereen Nederlands spreekt. En ja, je kunt bij de Van den Tweel supermarkt gewoon je boerenkool en Unox-worst halen (tegen de hoofdprijs, dat wel), maar het echte Curaçao zit h’m totaal niet in die Nederlandse bubbel.
Na talloze ritjes over de Caracasbaaiweg, liters zweet op de Christoffelberg en net iets te veel Polar biertjes bij de sneks, heb ik mijn favorieten en afraders wel op een rijtje. Vergeet de gelikte reisbrochures even; dit is hoe het eiland echt voelt.
Willemstad: Meer dan die gekleurde gevels
Iedereen kent de Handelskade. Die gekleurde huisjes in Punda. Je moet er een foto van maken, anders ben je niet op Curaçao geweest, punt. Maar eerlijk? Punda is leuk voor een middagje shoppen, maar het leeft pas echt als je over de Pontjesbrug (officieel Koningin Emmabrug) naar de overkant loopt: Otrabanda.
Toen ik daar voor het eerst liep, voelde het wat ruwer, minder gepolijst dan de overkant. Dat is nu aan het veranderen, maar de sfeer is er authentieker. Loop je door de steegjes van de wijk Kura Hulanda, dan zie je hoe mooi dat erfgoed gerestaureerd is zonder dat het meteen aanvoelt als een pretpark.
Een dingetje over die brug trouwens: als de bel gaat, ren dan of blijf staan. Als dat ding openzwaait voor een schip, sta je soms rustig drie kwartier aan de kant te wachten. De locals pakken dan de gratis veerboot, maar als toerist sta je vaak te kijken hoe traag zo’n tanker voorbij kan kruipen.
Marshe Bieu: Zweten boven de soep
Als je in Willemstad bent rond lunchtijd, negeer dan de terrasjes met toeristenprijzen aan de waterkant. Loop naar de Old Market, oftewel Marshe Bieu. Het is een grote hal, er is geen airco, en je zit op plastic stoeltjes aan lange tafels. Waarom zou je dat doen? Omdat de stoba (stoofvlees) hier legendarisch is.
Ik bestel er meestal karni stoba (rundvlees) of, als ik me avontuurlijk voel, sopi yuana. Ja, dat is leguanensoep. Het smaakt naar kip, maar dan met belachelijk veel botjes. Je ziet hier zakenmannen in pak naast bouwvakkers en toeristen eten. Het is bloedheet binnen, de ventilatoren blazen alleen maar warme lucht rond, maar het eten is de beste soulfood die je gaat vinden.
De Stranden: Westpunt wint het van Jan Thiel
Hier maak ik misschien geen vrienden mee bij de mensen die van luxe resort-vakanties houden, maar Jan Thiel en Mambo Beach zijn niet “mijn” Curaçao. Het is er druk, je ligt hutje-mutje op een strandbedje waar je flink voor betaalt, en je hoort er meer Radio 538 dan het ruisen van de zee. Prima voor een feestje op vrijdagavond, maar voor de echte strandervaring moet je in de auto stappen en naar Westpunt rijden.
Het westen is groener, rustiger en een tikkeltje wilder. Dit zijn de plekken waar ik mijn huurauto het liefste parkeer:
- Grote Knip (Kenepa Grandi) blijft de onbetwiste koning. Het water is er zo blauw dat je denkt dat iemand er een fles kleurstof in heeft leeggegoten. Geen entreegeld, gewoon je handdoek in het zand. In het weekend staan hier Antilliaanse families te barbecueën, klinkt er luide muziek en springen kinderen van de rotsen. Doordeweeks heb je het soms bijna voor jezelf.
- Bij Playa Lagun heb ik mijn beste snorkelervaringen gehad zonder een boot nodig te hebben. Het is een smalle baai tussen hoge kliffen. Als je vroeg bent, rond een uur of 9, heb je grote kans dat de zeeschildpadden hier vlak onder de kust zwemmen. Ze zijn niet bang, ze komen gewoon even kijken of de vissers al restjes in het water gooien.
- Porto Marie heeft varkens. Serieus. Twee of drie varkens die in de modderpoel naast de parkeerplaats liggen en soms even het strand op wandelen. Het is een mooi strand met goede faciliteiten (lees: een bar en toiletten), maar je moet wel entree betalen. Het “dubbele rif” onder water is overigens wel echt de moeite waard als je van duiken of snorkelen houdt.
- Daaibooi is mijn persoonlijke favoriet voor een zondagmiddag. Geen poespas, beetje rommelig, maar super gezellig. Haal een zakje “Kees” friet en een Amstel Bright, en ga gewoon zitten kijken naar de mensen.
Klein Curaçao: De misselijkmakende paradijsdroom
Dan is er nog dat eilandje voor de kust: Klein Curaçao. Iedere folder probeert je zo’n trip aan te smeren. “Bounty eiland”, “Parelwitte stranden”. Is het waar? Ja. Het zand is witter dan wit en je kunt er zwemmen met schildpadden.
Maar hier is de realiteit die ze er niet bij vertellen: de boottocht erheen is voor velen een hel. Je vaart tegen de golven in, de “Curaçao Shake” noemen ze dat. Ik heb boten gezien waar de helft van de passagiers groen en geel over de reling hing. Eenmaal daar ben je het snel vergeten, maar neem alsjeblieft een reispilletje als je ook maar een beetje gevoelig bent. De terugweg gaat gelukkig met de stroom mee, dan glijd je over het water met een rum-punch in je hand. Dat maakt veel goed.
Praktische zaken die niemand je vertelt
Het leven op het eiland heeft een ander ritme en andere regels. Ik heb in de loop der jaren wat dingen geleerd door schade en schande.
De beruchte “Weg naar Westpunt”
Je hebt absoluut een auto nodig. Het openbaar vervoer bestaat uit grote bussen (Konvooi) die zelden op tijd rijden, en kleine busjes die overal stoppen maar onvoorspelbaar zijn. Rijden op Curaçao is een belevenis. Voorrangsregels worden soms gezien als suggesties. Als iemand toetert, is dat meestal om “dankjewel” te zeggen of om te groeten, niet omdat je iets fout doet.
Let op de weg. Asfalt is duur en gaten zijn er in overvloed. Zeker na het regenseizoen veranderen sommige wegen in een gatenkaas waar je met een kleine Kia Picanto in kunt verdwijnen. En als het regent? Dan wordt het asfalt spiegelglad door de mix van olie en water. Ik heb genoeg auto’s de greppel in zien glijden bij de eerste druppels. Rustig aan dus. Poko poko.
Kostenplaatje
Vergis je niet, Curaçao is geen goedkope bestemming. Omdat bijna alles geïmporteerd moet worden, betaal je in de supermarkt vaak meer dan in Nederland. Uit eten gaan kan prijzig zijn, zeker in de toeristengebieden.
Wil je op je budget letten? Doe wat de locals doen. Haal je lunch bij een Snek (snackbar langs de weg) of ga ’s avonds naar een Truk’i Pan. Dat zijn foodtrucks die pas rond 9 uur ’s avonds open gaan. Voor een paar tientjes heb je een “broodje stoba” of een mixgrill waar je u tegen zegt. Het is vet, het is veel, en het is verrukkelijk.
Taal en cultuur
Je komt een heel eind met Nederlands, maar het wordt gewaardeerd als je probeert een paar woordjes Papiamentu te spreken. Het breekt het ijs.
- “Bon dia” (goedemorgen) of “Bon tardi” (goedemiddag) zeg je tegen iedereen die je tegenkomt. Als je een winkel binnenloopt en niks zegt, vinden ze je onbeleefd.
- “Dushi” ken je waarschijnlijk wel. Het betekent lieverd, lekker, schatje, mooi… je kunt het voor alles gebruiken. Het eten is dushi, die vrouw is dushi, het leven is dushi.
- “Ayo” is doei. Simpel zat.
Natuur en muggen
Naast stranden heeft het eiland een ruige kant. De noordkust is woest; daar beukt de zee met geweld tegen de rotsen, zoals bij Shete Boka. Dat is spectaculair om te zien.
Wil je de Christoffelberg op? Doe dat dan héél vroeg. Het park gaat om 6 uur open en echt, ga dan meteen. Ik ben een keer eigenwijs pas om 9 uur begonnen. Halverwege dacht ik dat ik flauw ging vallen van de hitte. Er is daar geen zuchtje wind en de zon is genadeloos. Eenmaal boven is het uitzicht overigens waanzinnig, je kijkt over het hele eiland.
En dan de muggen. Rond zonsondergang komen ze tevoorschijn. Het zijn niet die langzame bromvliegen die we hier kennen, maar kleine, stille sluipmoordenaars. Dengue (knokkelkoorts) komt voor, dus smeren is geen overbodige luxe. Koop lokaal spul met DEET of “Off!”, dat werkt vaak beter dan de middeltjes die je vanuit Nederland meesleept.
Uiteindelijk is Curaçao een eiland waar je verliefd op wordt om de imperfecties. De afbladderende verf, de gaten in de weg, de muziek die eigenlijk te hard staat en de service die soms… tja, op z’n elfendertigs gaat. Maar zodra je met je voeten in het zand zit bij Daaibooi en de zon in de zee ziet zakken, maakt dat allemaal helemaal niets meer uit.

