Ontdek Sardinië: De Caraïben van Europa

Laat me je meteen uit de droom helpen: ja, het water is er écht zo blauw als op de bewerkte Instagram-foto’s. Nee, dat is niet overdreven. Ik ben op plekken in de wereld geweest waar de ’toeristenfolder’ belofte niet helemaal overeenkwam met de werkelijkheid, maar Sardinië is de uitzondering. Ze noemen het de Caraïben van Europa, en dat klinkt als een goedkope marketingkreet, totdat je voor het eerst met je voeten in het zand staat bij Cala Brandinchi en je je afvraagt waarom je ooit 12 uur in een vliegtuig hebt gezeten voor een tropisch eiland.

Maar Sardinië is ook complexer dan alleen maar mooie strandplaatjes. Het is een eiland met een gebruiksaanwijzing. Het is ruig, soms wat nukkig, en de wegen kunnen je geduld flink op de proef stellen. Als redactie van Vakantieregios hebben we heel wat Italiaanse kilometers gemaakt, maar dit eiland voelt niet echt als Italië. De Sarden zeggen zelf vaak: “Ik ben geen Italiaan, ik ben Sardijn.” En na een week rondrijden snap je precies wat ze bedoelen.

De mythe van de Costa Smeralda (en de rest)

Veel mensen schrikken terug voor Sardinië omdat ze denken dat je portemonnee onmiddellijk leegloopt zodra je van de veerboot stapt. Dat komt door één specifieke strook in het noordoosten: de Costa Smeralda. Porto Cervo en omstreken. Ja, daar betaal je in het hoogseizoen vijftien euro voor een matige cappuccino omdat je toevallig uitkijkt op het superjacht van een tech-miljardair.

De realiteit is gelukkig anders. Rij twintig minuten het binnenland in, of kies voor de zuidwestkust, en de prijzen zakken naar een niveau dat lager ligt dan in Toscane of aan de Bloemenrivièra. Ik heb in dorpjes in de Ogliastra-regio gegeten waar een karaf huiswijn (en niet zomaar wijn, maar de stevige Cannonau) minder kostte dan een fles water op Schiphol. Het is maar net wat je zoekt. Wil je gezien worden? Ga naar Porto Cervo. Wil je Sardinië zien? Huur een auto en rij de andere kant op.

Stranden waar je mond van openvalt

Het is verleidelijk om gewoon het dichtstbijzijnde strand bij je hotel te pakken, maar op Sardinië loont het om te ‘strandhoppen’. Elk stuk kust heeft een compleet ander karakter. Hier zijn een paar plekken die me echt bijgebleven zijn, niet alleen vanwege de schoonheid, maar ook door de eigenaardigheden:

La Pelosa (Stintino)

Dit is waarschijnlijk het beroemdste strand van het eiland. Het water is er zo onlogisch helder dat je hersenen het bijna niet kunnen verwerken. Je kijkt uit op een oude Aragonese toren op een eilandje. Het plaatje is perfect. Maar hier komt de ‘maar’: in juli en augustus moet je tegenwoordig verplicht reserveren. Er is een maximum aantal bezoekers.

Bovendien is het verboden om je handdoek direct op het zand te leggen. Je moet er een rieten matje onder leggen om te voorkomen dat je onbedoeld kostbaar zand meeneemt als je vertrekt. Klinkt streng? Misschien, maar als je ziet hoe druk het kan zijn, snap je dat ze dit natuurwonder proberen te beschermen.

Cala Goloritzé

Mijn persoonlijke favoriet, vooral omdat je er wat voor moet overhebben. Je komt er niet met de auto. Er zijn twee opties: een boot huren (of een excursie boeken) vanuit Santa Maria Navarrese, of wandelen. De wandeltocht naar beneden duurt ongeveer een uur en is prima te doen, maar de terugweg omhoog in de middaghitte is een ander verhaal. Zorg voor goede schoenen – ik heb mensen op slippers hun enkels zien verzwikken op het rotsige pad. De beloning beneden, met die gigantische natuurlijke stenen boog en dat kiezelstrand, is elke zweetdruppel waard.

De onbekende duinen van Piscinas

Aan de westkust, de Costa Verde, vind je iets heel anders. Hier geen gladde baaitjes, maar woeste duinen die tot wel zestig meter hoog reiken. Het doet bijna woestijnachtig aan. De zee is hier ruwer, de wind (de Mistral) heeft vrij spel. Het is hier zelfs in het hoogseizoen een stuk rustiger. Als je houdt van natuur die niet helemaal aangeharkt is, is dit je plek.

Het binnenland: Bandieten en muurschilderingen

De meeste toeristen blijven plakken aan de kustrand. Zonde. Het hart van Sardinië, de Barbagia, is waar de ziel van het eiland zit. Dit is een bergachtig, ontoegankelijk gebied waar de Romeinen, en later andere overheersers, nooit echt grip op kregen. Ze noemden het ‘Barbaria’ (land van de barbaren), omdat de mensen zich niet lieten temmen.

Een bizarre plek die je eigenlijk niet mag overslaan is Orgosolo. Jarenlang stond dit dorp bekend als het centrum van bandieten en ontvoeringen. Als je er nu doorheen loopt, voel je nog steeds een bepaalde spanning, al is het volkomen veilig. De muren van de huizen zitten vol met politieke muurschilderingen (murals). Sommige zijn pure kunst, andere zijn rauwe protesten tegen de overheid, kapitalisme of oorlog. Het is een openluchtmuseum met een rauw randje.

Terwijl je door dit gebied rijdt, zie je overal vreemde stenen torens staan: de Nuraghi. Er staan er zo’n 7000 op het eiland. Niemand weet precies waar ze voor dienden – forten? tempels? woningen? – maar ze zijn gebouwd in de bronstijd, ver voordat Rome ook maar een dorpje was. Su Nuraxi bij Barumini is de grootste en staat op de UNESCO-lijst, maar soms kom je er gewoon eentje tegen in een weiland waar schapen omheen grazen. Die nonchalante omgang met duizenden jaren geschiedenis vind ik typerend voor Sardinië.

De ‘Blue Zone’ keuken: Eet je oud

Wist je dat Sardinië een van de vijf ‘Blue Zones’ in de wereld is? Mensen worden hier bizar oud. Er lopen meer honderdjarigen per tienduizend inwoners rond dan bijna overal elders. Wetenschappers breken hun hoofd erover, maar als je hier een week eet, begin je het te snappen. Het is niet per se licht ‘dieetvoer’, maar het is puur.

  • De Pecorino Sardo smaakt hier anders dan de variant die je in Nederland bij de supermarkt koopt. Veel pittiger, zouter, en gemaakt van melk van schapen die de hele dag kruiden uit de macchia staan te eten.
  • Als je in een agriturismo gaat eten (doe dit absoluut!), krijg je zonder twijfel Porceddu voorgeschoteld. Dat is speenvarken, langzaam geroosterd aan het spit en op smaak gebracht met mirto-takken. Het vel is zo knapperig dat het kraakt als glas, en het vlees valt van het bot.
  • Overdrijf niet met het broodmandje vooraf. Je krijgt vaak Pane Carasau, flinterdunne krokante vellen die herders vroeger meenamen de bergen in omdat het maanden goed bleef. Met een beetje olijfolie en zout eet je er ongemerkt zo drie vellen van op, en dan moet de pasta (vaak Malloreddus, kleine gnocchi-achtige schelpjes) nog komen.
  • En ja, we moeten het even hebben over Casu Marzu. De ‘wormenkaas’. Het is officieel verboden door de EU vanwege hygiëneregels, maar onder de toonbank of bij herders thuis bestaat het nog steeds. Ik heb het aangeboden gekregen. Het beweegt. Of je het durft te proeven laat ik aan jou, maar het is wel het ultieme sterke verhaal voor thuis.

Praktische tips voor een roadtrip

Sardinië zonder auto is eigenlijk geen optie. Het openbaar vervoer is… laten we zeggen ‘avontuurlijk’. Bussen rijden op tijden die vooral suggesties lijken te zijn, en treinen verbinden alleen de grote steden. Als je naar die verborgen baaitjes wil, heb je eigen wielen nodig.

Een paar dingen vielen me op tijdens het rijden daar:

De wegen in het binnenland zijn vaak bochtig en smal. Op Google Maps lijkt iets 50 kilometer, maar in de praktijk doe je daar makkelijk anderhalf uur over. Verkijk je daar niet op. ’s Avonds is verlichting buiten de bebouwde kom zeldzaam, en lokaal wild (of overstekende geitenkuddes) is een reëel risico.

Tankstations zijn een verhaal apart. Veel stations in afgelegen gebieden zijn onbemand tijdens de siësta (die daar lang duurt, vaak van 13:00 tot 16:30) en ’s avonds. De automaten accepteren soms nukkig Nederlandse bankpassen. Zorg dat je altijd wat contant geld (briefjes van 10 en 20 euro) bij je hebt voor de automaat, of tank gewoon vol zodra je de kans krijgt.

Waar moet je nou echt verblijven?

Dit hangt enorm af van je type vakantie. Als je met een camper gaat, is het een droom (al zijn sommige kustwegen krap). Maar voor de ‘gewone’ reiziger zou ik adviseren om je vakantie op te knippen.

Kies bijvoorbeeld voor een paar nachten in het noordwesten, rondom Alghero. Deze stad voelt, door de geschiedenis, heel Spaans/Catalaans aan. De zonsondergang op de stadsmuren is fenomenaal. Rij daarna door naar de oostkust, de regio rond Orosei of Cala Gonone. Hier zit je strategisch voor de mooiste stranden en de bergen. Wil je meer stadse vibes? Cagliari in het zuiden is een verrassend leuke, ietwat rauwe stad met een geweldig uitgaansleven en flamingo’s (ja, echt) in de zoutpannen net buiten de stad.

De beste ervaring heb je vaak bij een Agriturismo. Dit zijn werkende boerderijen die gastenkamers hebben. Het is vaak goedkoper dan een hotel, je slaapt op het platteland en het ontbijt bestaat uit dingen die letterlijk 50 meter verderop zijn geproduceerd.

Beste reistijd

Als je niet gebonden bent aan schoolvakanties: ga in mei, juni of september. Augustus is, eerlijk gezegd, een gekkenhuis. Heel Italië heeft dan vrij (Ferragosto) en het lijkt alsof ze allemaal naar Sardinië komen. De stranden liggen vol, prijzen verdubbelen en het is snikheet. In mei staat het hele eiland in bloei en ruik je de kruidige geur van de macchia overal. In september is de zee nog heerlijk warm van de zomer, maar zijn de grootste mensenmassa’s verdwenen.

Sardinië is zo’n plek die onder je huid kruipt. De Italianen noemen het “Mal di Sardegna” – de heimwee naar het eiland die je voelt zodra je weer thuis bent. En geloof me, als je eenmaal die zonsondergang bij Castelsardo hebt gezien met een glas Ichnusa-bier in je hand, heb jij dat virus ook te pakken.