Eerlijk is eerlijk: de eerste keer dat ik op Kreta landde, verwachtte ik gewoon een grotere versie van Kos of Rhodos. Een paar leuke stranden, wat ouwe stenen en gegarandeerd zon. Fout gedacht. Kreta voelt nauwelijks als een eiland; het is eerder een soort mini-continent dat toevallig in de Middellandse Zee drijft. Je hebt er besneeuwde bergtoppen in de Witte Bergen (Lefka Ori), chaotische steden die niet onderdoen voor Athene, en strandjes waar je na twee uur rijden over een grindpad helemaal alleen bent met een paar geiten.
Veel mensen boeken een all-inclusive in Chersonissos en zien nooit de rest. Doodzonde. Als je op zoek bent naar het ‘echte’ Griekenland, moet je die huurauto pakken en de bergen in slingeren. Daar zit de ziel van het eiland. In de kleine kafenions waar oude mannen hun komboloi (kralenkettingen) rondtollen en waar je als vreemdeling niet wegkomt zonder een glas raki.
West, Oost of toch het Zuiden?
Kreta is groot. Nee, echt groot. Van Kissamos in het westen naar Sitia in het oosten ben je zonder files al snel vier tot vijf uur aan het sturen. Het eiland is grofweg op te delen in vier prefecturen, en ze hebben allemaal een compleet eigen karakter.
Chania en het groene Westen
Voor velen, en ik sluit me daar bij aan, is de regio Chania het mooiste stukje. Het is er groener dan in het oosten. De stad Chania zelf is absoluut de sfeervolste stad van het eiland. Die Venetiaanse haven is natuurlijk iconisch, maar duik vooral de achterafstraatjes in van de wijk Splantzia. Minder gepolijst, lekkerder eten.
Het ruige Zuiden
Hier vind je de plekken waar de tijd lijkt stil te staan. De zuidkust is minder ontwikkeld omdat de bergen hier steil in zee vallen. Plaatsjes als Paleochora of Chora Sfakion zijn goud waard. Je komt er vaak alleen via kronkelwegen waar je maag van gaat draaien, of per veerboot.
Autorijden op Kreta: Een spoedcursus
Als je Kreta echt wilt zien, ontkom je niet aan een huurauto. Maar het verkeer hier heeft, laten we zeggen, zijn eigen ongeschreven regels. Vooral op de ‘New National Road’ (de BOAK), de hoofdweg die van oost naar west loopt.
Hier is hoe het werkt in de praktijk, ook al staat het niet in je theorieboekje:
- De vluchtstrook is geen vluchtstrook. Het is een extra rijbaan. Als iemand achter je sneller wil, ga je half (of helemaal) op de vluchtstrook rijden. Doe je dit niet, dan word je getrakteerd op lichtsignalen en getoeter.
- Verwacht het onverwachte in de bergen. Een kudde schapen of geiten op de weg is hier dagelijkse kost, geen uitzondering. Ze gaan niet opzij; jij moet wachten.
- Let op vallend gesteente. Die bordjes ‘Falling Rocks’ staan er niet voor de sier, zeker niet na een regenbui in het voorjaar. Ik heb weleens flinke keien midden op de weg zien liggen nabij de Kourtaliotiko kloof.
Stranden waar je wél naartoe wilt
Vergeet de standaard zandstroken voor de grote hotels. De echte magie zit op de plekken die wat meer moeite kosten.
Elafonissi: De roze hype
Ja, het is prachtig. Ja, het zand heeft een roze gloed door verpulverde schelpen. En ja, het is er in juli en augustus stervensdruk. Als je hierheen gaat: zorg dat je er voor 09:30 bent. Dan heb je het rijk even voor jezelf voordat de bussen arriveren. Later op de dag kun je beter doorwaden naar het eilandje zelf en doorlopen tot de duinen aan de achterkant, daar is het vaak rustiger.
Balos Beach
Dit is die lagune die je op elke ansichtkaart ziet. Je kunt er met de boot vanuit Kissamos (makkelijk, maar je zit vast aan tijden) of met de auto en een wandeling. Let op: de weg erheen is onverhard en veel verhuurmaatschappijen dekken geen schade als je hier rijdt. De wandeling naar beneden is prima te doen, de terugweg in de brandende zon is een ander verhaal. Neem water mee. Véél water.
Kedrodasos
Mijn persoonlijke favoriet, vlakbij Elafonissi maar dan zonder de parasols en strandbarretjes. Het is een bos van jeneverbessen dat zo het strand op loopt. Veel kampeerders, nudisten en locals. Geen faciliteiten, puur natuur.
Cultuursnuiven zonder in slaap te vallen
Je kunt niet naar Kreta zonder iets van de Minoïsche beschaving mee te pikken. Knossos is de grote trekpleister. Het paleis van koning Minos.
Een tip uit ervaring: ga niet om 12:00 uur in de middag. Je smelt weg tussen de stenen en je ziet door de paraplu’s van gidsgroepen de fresco’s niet meer. Ga direct bij openingstijd (vaak 08:00) of juist laat op de middag, rond 17:00, wanneer het licht zachter is en de bussen weg zijn.
Een indrukwekkender (en emotioneler) uitstapje vind ik persoonlijk Spinalonga. Het voormalige leprakeureiland voor de kust van Elounda. De geschiedenis hangt hier zwaar in de lucht. Loop niet alleen het hoofdstraatje door, maar klim naar boven naar de begraafplaats. Het uitzicht over de baai van Mirabello contrasteert bizar met het trieste verleden van deze plek.
De bergen in: De Samariakloof en alternatieven
Iedereen heeft het over de Samariakloof. En terecht, het is met 16 kilometer een van de langste kloven van Europa. Het smalste punt, de ‘IJzeren Poort’, is spectaculair.
Maar wees gewaarschuwd: het is een polonaise. In het hoogseizoen lopen er duizenden mensen per dag doorheen. Als je houdt van rust en natuur, kan dit tegenvallen. Bovendien, de spierpijn de volgende dag is geen grap – die afdaling in het begin sloopt je kuiten.
Wil je wel de ervaring, maar niet de massa?
- Imbroskloof: Korter (ongeveer 8 km), makkelijker en veel rustiger. Perfect als je ook nog iets aan je middag wilt hebben.
- Agia Irini kloof: Groen, schaduwrijk en je komt bijna niemand tegen. Eindigt in de buurt van Sougia, een heerlijk ontspannen kustplaatsje.
Eten en drinken: Raki als levenselixer
Op Kreta is eten religie. Ze hebben hier een van de hoogste levensverwachtingen ter wereld en dat komt niet door de sportschool, maar door de olijfolie. Alles drijft erin.
Wat je absoluut moet proberen:
- Dakos: Een harde gerstbeschuit die zacht wordt gemaakt met geraspte tomaat, olijfolie, oregano en mizithra (zachte kaas). Simpel, maar geniaal.
- Kalitsounia: Kleine pasteitjes met kaas of kruiden, vaak geserveerd met honing.
- Staka: Een soort boterachtige room gemaakt van geitenmelk. Cholesterolbom, maar wie telt er calorieën op vakantie?
En dan is er de Tsikoudia (Raki). Dit is niet de anijservaring van Ouzo. Raki is sterke druivenjenever. Vrijwel overal krijg je na het eten een karafje van het huis, vaak met wat fruit of zoetigheid. Weigeren is… nou ja, eigenlijk geen optie. Het is een teken van gastvrijheid (philoxenia). “Yamas!” (Proost) roepen en achterover tikken.
Beste reistijd
Juli en augustus zijn heet. En dan bedoel ik: 35 tot 40 graden heet. Als je gebonden bent aan schoolvakanties, zoek dan de kust op waar de ‘Meltemi’ (noordenwind) voor verkoeling zorgt. Zonder die wind is het in het binnenland soms ondraaglijk.
De echte luxemaanden zijn mei, juni en september. De zee is in september heerlijk opgewarmd na een lange zomer, maar de ergste hitte is weg en de massa is vertrokken. Mei is fantastisch omdat het eiland dan nog in bloei staat; in de zomer is veel vegetatie dor en geel geworden.
Ook oktober kan nog verrassend goed zijn. Ik heb wel eens eind oktober nog met 26 graden op het strand van Falassarna gelegen. Het water koelt dan wel iets af, maar is nog prima te doen.
Tot slot
Kreta is geen eiland dat je in één vakantie ‘af’ hebt. Probeer dat ook niet. Kies een regio – bijvoorbeeld het westen of het oosten – en verken dat op je gemak. De afstanden zijn bedrieglijk en de wegen vragen tijd. Of je nu met een camper rondtrekt en wildkampeert op verlaten plekjes (wat officieel niet mag, maar gedoogd wordt als je respectvol bent), of in een luxe villa in Elounda zit; Kreta kruipt onder je huid. Voor je het weet zit je thuis weer te zoeken naar tickets voor volgend jaar.
