Laat me meteen met de deur in huis vallen: wie bij de Caraïben denkt aan weelderige regenwouden en watervallen à la Costa Rica, komt op Curaçao bedrogen uit. Toen ik voor het eerst Hato Airport uitliep en die onverbiddelijke hitte in mijn gezicht kreeg, viel me vooral op hoe gortdroog het eiland eigenlijk is. Cactussen zo ver het oog reikt en rood stof op je schoenen. Maar juist dat ruwe randje, in combinatie met dat absurde turquoise water, maakt dit eiland voor mij interessanter dan de pure ‘resort-bestemmingen’.
Het is niet voor niets dat wij Nederlanders massaal die tien uur in het vliegtuig blijven zitten. Je spreekt de taal (meestal), je betaalt met een munt die toevallig aan de dollar vastzit maar voelt als Monopoly-geld, en de sfeer is… tja, dushi. Maar Curaçao is meer dan alleen frikandellen eten op Jan Thiel. Als je de moeite neemt om die huurauto te starten—een absolute must, geloof me—vind je plekken die je adem echt even wegnemen.
Willemstad: Meer dan alleen de Handelskade
Iedereen kent die foto. De gekleurde gevels aan de Handelskade in Punda. Ik heb er tientallen foto’s van, en toch blijft het trekken. Maar de echte charme van Willemstad zit ‘m voor mij in de chaos eromheen. Het moment dat de bel gaat van de Koningin Emmabrug (de pontjesbrug) en je net te laat bent om over te steken. Dan sta je daar te wachten terwijl die hele brug openzwaait voor een tanker, en raak je aan de praat met een visser naast je. Dat is Willemstad.
Steek je over naar Otrobanda (‘de andere kant’), dan verandert de sfeer direct. Vroeger was dit een no-go area, nu is het een doolhof van muurschilderingen en kleine barretjes. Loop even de steegjes in. Je ziet verval, zeker, maar ook een waanzinnige creativiteit. De Kura Hulanda lodge zit hier, gebouwd op de plek waar vroeger de slavenhandel plaatsvond. Heftig, maar essentieel voor je besef van de historie hier. Het is niet alleen maar ‘lang leve de lol’.
Eten tussen de locals in Marshe Bieu
Als je rond lunchtijd in Punda bent, doe me een lol en loop die hippe tentjes aan de waterkant voorbij. Ga naar de Marshe Bieu, de overdekte oude markt. Geen airco, wel ventilatoren die als een malle draaien en lange tafels met plastic zeil. Hier eet je stoofpotjes.
Ik bestel er standaard stobá (geitenvleesstoof) of, als ik echt honger heb, sopi mondongo. Dat laatste is niet voor iedereen weggelegd, want het is soep van ingewanden, maar de smaak is nergens zo authentiek. Je zit schouder aan schouder met kantoormensen uit de stad die hier snel hun pauze doorbrengen. Voor vijftien tot twintig gulden zit je propvol. En o ja, bestel er een awa lamunchi bij. Dat is limoenwater met bakken suiker, het enige dat echt helpt tegen de hitte.
Westpunt: Waar het asfalt stopt en de magie begint
Hier scheiden de ’toeristen’ zich van de ‘reizigers’. Het oosten van het eiland, rondom Jan Thiel en Mambo Beach, is waar de happy hours zijn en waar je struikelt over de Nederlandse stagiaires. Gezellig? Zeker. Maar voor het echte Curaçao moet je ‘naar Westpunt’ rijden. Dat klinkt als een wereldreis, maar het is veertig minuten tuffen in je Kia Picanto (de onofficiële nationale auto van het eiland).
De natuur wordt hier ruiger, de wegen slechter en de stranden mooier. Dit is mijn favoriete stukje eiland.
- Bij Grote Knip (Kenepa Grandi) krijg je dat iconische uitzicht van bovenaf. Het water is er zo felblauw dat je zonnebril het bijna niet aankan. In het weekend zie je hier hele Curaçaose families die enorme pannen nasi en barbecue-grills meeslepen. Prachtig om te zien, maar zoek je rust, ga dan op dinsdagochtend.
- Vlakbij ligt Playa Lagun, een smalle baai tussen hoge rotsen. Dit is mijn vaste snorkelplek. Geen massa’s, maar wel bijna garantie op zeeschildpadden. Ze komen hier vaak rond een uur of vier ’s middags als de vissers hun restafval in het water gooien.
- Sla Playa Porto Marie niet over als je van comfort houdt maar niet de drukte van Mambo wilt. Ja, er lopen varkens op het strand. Ze zijn tam, een beetje brutaal en ze liggen graag in de modderpoel naast de parkeerplaats. Het restaurant hier maakt trouwens een prima saté, mocht je daar zin in hebben.
- Voor de waaghalzen is er Watamula, helemaal in het noordpuntje. Geen echt strand, maar ruwe rotsen waar de zee tegenaan beukt met een geweld, daar word je stil van. Er is een ‘blaasgat’ waar het water metershoog opspuit. Pas wel op waar je loopt; het koraalgesteente is vlijmscherp.
Over de wegen en het verkeer (een waarschuwing vooraf)
Rijden op Curaçao is een vak apart. De verkeersregels zijn… laten we zeggen ‘suggesties’. Rechts heeft voorrang, tenzij je op een T-splitsing staat, dan weer niet, en soms neemt iemand gewoon voorrang omdat zijn auto groter is.
Wat mij in het begin verraste, is hoe spekglad het asfalt wordt als het regent. En als het regent op Curaçao, dan plenst het. De combinatie van stof, olie en water maakt de wegen in ijsbanen. Echt, matig je snelheid zodra de eerste druppels vallen. Ik heb genoeg auto’s in de greppel (de ‘rooi’) zien liggen.
Een ander dingetje: tanken. Je moet hier vooraf betalen of pinnen bij het loket voordat de pomp aangaat. Sta je daar vijf minuten te knijpen in dat handvat en er gebeurt niks? Dan moet je dus eerst even naar binnen.
Avondleven: Truck di Pan of chique dineren?
Je kunt natuurlijk chic gaan eten bij Fort Nassau met uitzicht over de haven (duur, wel romantisch), of bij De Gouverneur in Otrabanda. Maar mijn beste avonden eindigden vaak staand naast de auto bij een Truck di Pan. Deze foodtrucks gaan pas open als de zon al lang onder is, meestal rond een uur of negen ’s avonds.
De klassieker is de BBQ Express aan de Caracasbaaiweg. Je bestelt een portie kip of lendenbiefstuk met friet. Je krijgt er een berg vlees bij waar je u tegen zegt, bedolven onder pinda-saus (als je dat wilt). Het is vet, het is veel, en het is precies wat je nodig hebt na een dag zout water en zon.
De zaak Jan Thiel en Mambo
Ik moet er toch iets over zeggen. Jan Thiel Beach en Mambo Beach Boulevard zijn perfect aangelegd, schoon en van alle gemakken voorzien. Maar het is wel een beetje een bubbel. Je hoort er nauwelijks Papiaments en de prijzen liggen op Amsterdams niveau (of hoger).
Is dat erg? Nee, helemaal niet. Soms wil je gewoon op een luxe bedje liggen met bediening tot aan je voeten. Voor gezinnen met jonge kinderen is de langzaam aflopende zee bij Jan Thiel ideaal. En eerlijk is eerlijk, de zonsondergang bij Zanzibar met live muziek op zaterdag heeft sfeer. Maar denk niet dat je daar het ‘echte’ eiland ziet. Het is een veilige, heerlijke cocon. Mijn advies: doe het allebei. Wissel die luxe dag af met een stoffige roadtrip naar Hofi Pastor om tussen de eeuwenoude kapokbomen te wandelen.
Praktische tips die je vakantie redden
Na al die keren op en neer vliegen heb ik wat dingen geleerd die ik liever eerder had geweten. Kleine details die het verschil maken tussen gedoe en genieten.
- De wisselkoers is simpel. De Antilliaanse Gulden (NAF) is gekoppeld aan de Dollar. Overal kun je met dollars betalen, maar je krijgt wisselgeld vaak in guldens terug. Pinnen kan bijna overal, maar let op de transactiekosten van je eigen bank. Ik neem altijd een stapeltje kleine dollarbiljetten mee voor fooien en kleine aankopen.
- Koop je zonnebrand in Nederland. Op het eiland betaal je gerust 25 tot 30 euro voor een flesje fatsoenlijke factor 50. Die prijzen in de supermarkten (zoals Van den Tweel, wat gewoon een Albert Heijn in vermomming is) zijn sowieso even slikken.
- Elektriciteit is hier 110-130 volt, met van die Amerikaanse stekkers (twee platte pinnen). In veel hotels en nieuwe appartementen hebben ze inmiddels ook Europese stopcontacten, maar ik gok het er nooit op. Een wereldstekker zit standaard in mijn handbagage.
- Download de kaart van Curaçao in Google Maps zodat je hem offline kunt gebruiken. Je hebt buiten de resorts niet overal bereik, en straatnaambordjes ontbreken nog wel eens of zijn onleesbaar door de zon.
Curaçao kruipt onder je huid. De eerste dagen erger je je misschien aan het trage tempo bij de kassa of de hitte. Maar na een week betrap je jezelf erop dat je ‘rustig aan’ loopt, dat je mensen groet met “Bon dia” en dat je je niet meer druk maakt over die vijf minuten vertraging. Dat is de echte souvenir die je mee naar huis neemt.
