Autovakantie in Europa: voorbereiding en mooie routes

Eerlijk is eerlijk: er gaat weinig boven het gevoel van de straat uitrijden, de neus van de auto richting het zuiden (of noorden) draaien en weten dat je de komende weken nergens anders hoeft te zijn dan ‘onderweg’. Geen gezeur met kofferlabels op Schiphol, geen te krappe vliegtuigstoelen en vooral: zelf bepalen wanneer je stopt voor koffie. De autovakantie is voor ons Nederlanders nog steeds de heilige graal van vrijheid.

Maar laten we niet doen alsof het alleen maar romantisch cruisen is met de ondergaande zon in je spiegel. Ik heb genoeg mensen langs de kant van de Autoroute du Soleil zien staan met een rokende motorkap en een blik vol wanhoop. Of ruzie zien maken over hoe de kofferbak ingedeeld moet worden (waarbij de koelbox natuurlijk net onderop staat). Een goede voorbereiding is niet zomaar een lijstje afvinken, het is het verschil tussen stressen in een Franse garage waar niemand Engels spreekt, of fluitend de Alpen over.

Na jarenlang kriskras door Europa te hebben gereden voor Vakantieregios.nl, van de stoffige wegen in Andalusië tot de ijzige bergpassen in Noorwegen, heb ik zo mijn lessen wel geleerd. Soms door schade en schande. Hier is hoe je het aanpakt, zonder de standaard praatjes.

De heilige koe: is je auto er echt klaar voor?

Je gebruikt je auto waarschijnlijk het hele jaar voor ritjes naar de supermarkt en je werk. Dat is totaal andere koek dan volbepakt, met dakkoffer en vier personen, een bergpas van 12% helling oprijden bij 30 graden. Ik zie het elk jaar weer misgaan.

Loop dit even serieus na, en niet vijf minuten voor vertrek:

  • Kijk naar je banden. En dan bedoel ik niet even snel schoppen. Zitten er droogtescheurtjes in de wang? Hoe oud zijn ze? Als je met 130 km/u over bloedheet asfalt in Italië rijdt, is een oude band een tikkende tijdbom. En check die spanning als de banden koud zijn. Warme lucht zet uit, dus meten bij een tankstation na twee uur rijden geeft je een totaal vals beeld.
  • De airco is je beste vriend, maar wordt vaak vergeten bij onderhoud. Er is niets, maar dan ook niets, zo sfeer-verpestend als drie uur in de file voor de Gotthardtunnel staan zonder werkende koeling. Laat ‘m checken en bijvullen.
  • Olie en koelvloeistof. Neem ook altijd een fles van beide mee. In de bergen vraagt de motor het uiterste; ik heb mijn temperatuurmeter wel eens eng hoog zien oplopen tijdens een klim in Oostenrijk. Dan ben je blij als je even kunt stoppen en iets bij kunt gieten (nadat de motor is afgekoeld natuurlijk, anders spuit het eruit).

Het papierwerk-doolhof en vignetten-stress

Vroeger was het simpel: je reed naar de grens en liet je paspoort zien. Tegenwoordig hebben we open grenzen, maar hebben landen iets anders bedacht om ons dwars te zitten: vignetten, milieustickers en tolkastjes. Het is een wirwar en de boetes zijn niet mals.

Neem Oostenrijk. Je hebt een vignet nodig, dat weet iedereen. Maar wist je dat als je het digitale vignet koopt als consument, er een wachttijd van 18 dagen op zit vanwege het herroepingsrecht? Sta je dan, klaar om te vertrekken, en je vignet is nog niet geldig. Je kunt dit omzeilen door aan te vinken dat je ondernemer bent (niemand checkt het), of gewoon ouderwets die sticker op de ruit plakken. Let wel op waar je hem plakt; linksboven of onder de spiegel. Plak je ‘m in de getinte strook? Ongeldig. Boete.

En dan Duitsland met de ‘Umweltplakette’. Je komt bijna geen stad meer in zonder die groene sticker. Het kost een tientje en je hebt ‘m voor het leven van de auto, maar als je hem vergeet en je wilt even lunchen in Keulen of Frankfurt, riskeer je 80 euro boete. Frankrijk heeft weer zijn eigen systeem, Crit’Air. Bestel die dingen weken van tevoren, want de levertijd vanuit Frankrijk is soms ronduit traag.

Wat betreft tolpoorten: ik zweer bij een tolbadge (zoals de Bip&Go). Terwijl iedereen in de rij staat om met creditcard te pielen of (erger nog) kleingeld in zo’n mandje te gooien, zoef jij door de ‘T’ poortjes. Het gevoel van superioriteit dat je krijgt als de slagboom automatisch opent, is de paar euro abonnementskosten dubbel en dwars waard.

Drie routes die het rijden waard zijn

Snelwegen zijn efficiënt, maar dodelijk saai. Als je de tijd hebt, pak dan eens een route waar je daadwerkelijk voelt dat je in een ander land bent. Dit zijn drie van mijn persoonlijke favorieten waar het rijden zelf al vakantie is.

1. De Grossglockner Hochalpenstraße (Oostenrijk)

Vergeet de Brennerpas als je geen haast hebt. De Grossglockner is misschien wel de mooiste bergweg van Europa. Je betaalt er flink tol voor (reken op zo’n 40 euro), maar wat je ervoor terugkrijgt is bizar. Je klimt naar ruim 2500 meter hoogte, dwars door de wolken, langs gletsjers en marmotten die soms gewoon op de vangrail zitten.

Het asfalt is perfect – Oostenrijkers weten hoe ze wegen moeten bouwen – maar het is werken achter het stuur. Haarspeldbocht na haarspeldbocht. Let op bij het afdalen: rem op de motor. Zet die versnellingsbak in z’n twee of zelfs één. Doe je dat niet en blijf je constant je rempedaal indrukken, dan ruik je beneden de penetrante geur van verbrande remvoering. Ik heb het geroken bij andere toeristen, en geloof me, dan sta je even een uurtje stil om alles te laten afkoelen.

2. De Jadranska Magistrala (Kroatië)

De D8, ofwel de kustweg van Kroatië. Vroeger berucht om de ongelukken, tegenwoordig een stuk beter maar nog steeds een avontuur. De weg slingert honderden kilometers direct langs de Adriatische Zee. Aan de ene kant zie je ruwe, grijze rotswanden, aan de andere kant dat felblauwe water en eilanden zoals Pag en Krk.

Rijd hier niet als je haast hebt. Je komt vast te zitten achter een vrachtwagen of een oude Yugo, en inhalen is op veel plekken levensgevaarlijk. Maar de uitzichten zijn onbetaalbaar. Stop zeker even bij een van de vele kraampjes langs de weg waar ze honing, kaas of zelfs hele geroosterde speenvarkens verkopen. Let wel op de lokale rijstijl: Kroaten (en Bosniërs) halen soms in op plekken waar jij je ogen dichtknijpt. Houd afstand en laat je niet opjagen.

3. De Amalfikust (Italië) – voor de durfals

Ik noem deze met een kleine disclaimer: ga hier niet rijden met een brede camper of caravan. Sterker nog, als je erg zuinig bent op je autolak, denk dan twee keer na. De SS163 Amalfitana is legendarisch mooi, maar smal. Heel smal.

Je rijdt langs kliffen waar pastelkleurige dorpjes als Positano en Amalfi tegenaan geplakt lijken. De bussen die je tegemoet komen, nemen de bochten zo ruim dat ze millimeters langs je spiegel scheren. Er wordt getoeterd, geschreeuwd en met handen gewapperd – pure Italiaanse chaos. Het is intensief, je zweet peentjes, maar als je stopt bij een uitkijkpunt en je ziet de zon in de zee zakken met de geur van citroenen in de lucht, vergeet je de stress direct. Tip: klap je spiegels in als je ergens parkeert. Nee, echt doen.

Inpakken als een pro: Tetris voor gevorderden

Iedereen kent het plaatje: vader staat wanhopig naar de kofferbak te tassen, moeder komt aan met “nog één tasje” en de kinderen willen hun bodyboards mee. Hoe krijg je alles mee zonder dat het zicht door de achterruit verdwijnt?

Allereerst: zware spullen onderop en zo ver mogelijk naar voren (tegen de rugleuning van de achterbank). Dit houdt het zwaartepunt van de auto laag en centraal. Als je zware koffers achterin legt, gaat de neus van de auto omhoog, heb je minder grip op je voorwielen (fijn met sturen, not) en verblind je tegenliggers met je koplampen.

Gebruik zachte tassen in plaats van harde koffers als je met de auto gaat. Een harde koffer is een onding; die vormt niet mee. Een weekendtas kun je nog net in dat nare hoekje bij het wiel duwen. En die veiligheidsvestjes en gevarendriehoek? Leg die niet onderop. Het klinkt logisch, maar ik heb mensen op de vluchtstrook hun hele hebben en houwen op het asfalt zien uitstallen omdat de politie om het hesje vroeg, dat natuurlijk onder de tent lag.

Nog een dingetje over de dakkoffer: gooi die niet vol met blikken soep of aardappelen. Een dakkoffer is voor lichte spullen: slaapzakken, kussens, jassen. Teveel gewicht op het dak maakt je auto topzwaar, en in een scherpe bocht of bij harde zijwind merk je dat direct. Je auto gaat zwabberen als een dweil.

Onderweg: de kunst van het stoppen

Het doel is om aan te komen, maar niet als een wrak. De oude regel “twee uur rijden, kwartier rust” bestaat niet voor niets, maar laten we eerlijk zijn: als het lekker doorrijdt, pakken we vaak drie of vier uur. Toch is het slim om tactisch te stoppen.

Mijd de grote ‘aires’ of ‘Raststätten’ direct aan de snelweg rond lunchtijd. Het is er druk, vies, en je betaalt zeven euro voor een broodje dat smaakt naar karton. Rijd eens vijf kilometer van de snelweg af. In Frankrijk of Duitsland kom je dan vaak in een slaperig dorpje terecht waar je bij de lokale bakker (Bäckerei/Boulangerie) voor de helft van het geld iets veel lekkerders haalt. Even de benen strekken in een echte omgeving in plaats van op een asaltvlakte met vrachtwagens doet wonderen voor je humeur.

Laten we wel wezen

Uiteindelijk gaat er op een autovakantie altijd wel iets mis. Een file die nergens gemeld stond, een hotelkamer die toch iets kleiner is dan op de foto’s, of een kind dat wagenziek wordt precies op het moment dat je geen parkeerplek kunt vinden. Dat hoort erbij. Het zijn vaak die momenten waar je later om lacht (nou ja, meestal dan).

Zorg dat de basis goed is – auto in orde, papierwerk geregeld, banden op spanning – en laat de rest lekker over je heen komen. Zet een goede playlist op, gooi de tank vol en geniet van de kilometers. Europa ligt aan je wielen.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *