Aruba. Op elke nummerplaat staat “One Happy Island”. Klinkt als een gelikt stukje marketing van het verkeersbureau, toch? Dat dacht ik ook de eerste keer dat ik op Queen Beatrix International Airport landde. Maar eerlijk is eerlijk: na twee dagen met je voeten in het zand van Eagle Beach en een koude Amstel Bright in je hand, begin je het te geloven. Het is een eiland van contrasten: aan de ene kant de gepolijste Amerikaanse luxehotel-strip, en aan de andere kant een ruige, door wind geteisterde noordkust vol cactussen en rotsen.
Ik kom al jaren in het Caribisch gebied en waar Curaçao dat rauwe, Nederlandse randje heeft en Bonaire vooral onder water spectaculair is, voelt Aruba altijd als de luxe neef die naar de States is verhuisd maar zijn roots niet helemaal is vergeten. Het is netjes, het is veilig, en ja, het is soms ook behoorlijk aan de prijs. In deze gids neem ik je mee voorbij de standaard brochures. Geen dertien-in-een-dozijn praatjes, maar hoe het eiland écht voelt.
Het klimaat: Waarom je die wind leert waarderen
Als je het vliegtuig uitstapt, voel je het meteen: de hitte, maar vooral die wind. De noordoostpassaat waait op Aruba vrijwel altijd. En geloof me, dat is je redding. Zonder die wind zou het met gemiddeld 30+ graden echt ondraaglijk zijn. Het zorgt ervoor dat je lekker op het strand kunt liggen zonder direct weg te smelten.
Maar hier zit ook meteen het gevaar – en dit heb ik vaak genoeg fout zien gaan bij toeristen. Omdat de wind je koel houdt, voel je niet dat je verbrandt. Je staat een uurtje te kletsen in de branding en ’s avonds ben je kreeftrood. Smeren dus, en vaker dan je denkt.
- Regen is zeldzaam. Aruba is gortdroog. Verwacht geen weelderige groene regenwouden; het landschap lijkt meer op Arizona met een zee eromheen. Cactussen, rotsen en stof.
- Buiten de orkaanzone. Een groot voordeel ten opzichte van andere Caribische eilanden (zoals Sint Maarten) is dat Aruba, net als de overige ABC-eilanden, buiten de “hurricane belt” ligt. Je kunt hier dus prima naartoe in september of oktober zonder constant de weerradar te hoeven checken.
Stranden: Meer dan alleen wit zand
Natuurlijk kom je voor het strand. Maar welk strand je kiest, bepaalt je hele vakantie-ervaring. Ze zijn totaal verschillend van karakter.
Palm Beach: De ‘High-rise’ beleving
Hier vind je de grote jongens: Hyatt, Marriott, Riu. Het strand is smal, de zee is kalm als een zwembad en het zit vol met watersportbedrijfjes. Zoek je actie, happy hours en wil je vanuit je hotelkamer direct je ligbedje op rollen? Dan moet je hier zijn. Het is wel druk. Handdoekje leggen is hier helaas topsport geworden bij sommige resorts.
Eagle Beach: De ansichtkaart
Mijn persoonlijke favoriet. Dit strand is breed – echt heel breed. Hier staan ook de beroemde Fofoti-bomen (die gekke, scheve bomen die altijd op de foto’s staan, al worden ze vaak foutief Divi-Divi genoemd). Omdat er hier ‘Low-rise’ hotels staan (niet hoger dan een paar verdiepingen), voelt het veel ruimtelijker. Je hebt hier niet dat opgekropte gevoel van Palm Beach.
Baby Beach & Mangel Halto
Helemaal in het zuidoosten, bij San Nicolas (de ‘Sunrise City’), ligt Baby Beach. Het is een soort kunstmatige lagune waar het water zo ondiep is dat je honderden meters de zee in kunt lopen. Ideaal als je met kleine kinderen bent, al vind ik het in het weekend soms te druk met locals en luide muziek.
Wil je iets authentiekers? Rij dan naar Mangel Halto. Het is even zoeken tussen de mangroves, maar het water is er belachelijk blauw en de stroming kan er pittig zijn. Hier zie je weinig Amerikanen, maar vooral Arubanen die met koelboxen en klapstoeltjes hun zondag vieren.
De ruige kant: Arikok National Park
Vergeet de cocktailbar even. Ongeveer 20% van het eiland is nationaal park: Arikok. Dit is geen terrein voor je kleine huurauto (een Kia Picanto gaat het hier zwaar krijgen, hoewel ik dappere pogingen heb gezien). De wegen zijn onverhard, vol kuilen en steil.
Het landschap is hier totaal anders. De zee beukt met enorm geweld tegen de noordkust. Zwemmen is hier levensgevaarlijk – doe het niet. Er zijn baaien zoals Boca Prins waar de stroming je zo de oceaan in sleurt.
Wat je wel moet doen is de tocht maken naar de Conchi (Natural Pool). Het is een afgeschermd poeltje van vulkanisch gesteente waar de golven overheen slaan terwijl jij rustig in het water dobbert. Je komt er alleen met een 4×4, te voet (lange, hete tocht) of te paard. Ik raad aan om gewoon een dagje een Jeep te huren of met een lokale gids mee te gaan die de weg weet, want de bewegwijzering is op z’n zachtst gezegd ‘creatief’.
Eten: Van Pastechi tot Fine Dining
Aruba is culinair gezien misschien wel het meest diverse eiland van de regio. Maar je portemonnee gaat het voelen als je elke avond aan de boulevard eet. Een hoofdgerecht van 35-40 dollar is geen uitzondering bij de toeristische spots.
- Zeerovers in Savaneta is een klassieker die je niet mag overslaan. Geen poespas, gewoon vis en garnalen die vers uit de zee komen, gefrituurd worden en die je met je handen eet aan houten tafels aan het water. Je betaalt per gewicht. De “pan bati” (lokaal maisbrood) erbij is verplicht wat mij betreft.
- Voor het ontbijt of een snelle lunch: stop bij een willekeurige ‘snack’ langs de weg en bestel een Pastechi. Het is een gefrituurd pasteitje gevuld met kaas, vlees of vis. Kost bijna niks, vult enorm en het is puur Arubaans comfort food.
- Wil je chique doen? Wilhelmina Restaurant in Oranjestad is fantastisch, of probeer Papiamento Restaurant, waar je eet in de tuin van een oud landhuis, rondom een zwembad. Sfeervol, maar reserveer wel even van tevoren.
Praktische zaken (waar niemand je over vertelt)
Het klinkt allemaal als een paradijs, maar er zijn wel een paar dingen waar je even rekening mee moet houden om het soepel te laten verlopen.
Geldzaken
Op Aruba betaalt men met de Florin (AWG), maar de wisselkoers met de Dollar is vastgezet (1 USD = 1,79 AWG in winkels, 1,75 bij de bank). In de praktijk? Ik heb zelden Florins gepind. Je kunt werkelijk overal met Dollars betalen. Als je in Dollars betaalt, krijg je soms wisselgeld in Florins terug. Let wel even op: de prijzen in supermarkten en restaurants liggen hoog. Alles moet geïmporteerd worden. Een pot pindakaas of een pak hagelslag bij de Super Food (een enorme Jumbo-achtige supermarkt waar alle Nederlanders samenkomen) kost aanzienlijk meer dan thuis. Maar goed, je bent op vakantie.
Vervoer
Heb je een auto nodig? Als je alleen op Palm Beach blijft: nee. Er rijden bussen en taxi’s genoeg (taxi’s hebben geen meters, prijzen staan vast per zone). Maar als je iets van het eiland wilt zien – en dat wil je – is een auto een must. De wegen zijn over het algemeen prima, behalve in Arikok. De rijstijl is relaxed. Let wel op bij rotondes: op Aruba heeft het verkeer op de rotonde voorrang (net als bij ons), maar soms wordt er nogal creatief ingevoegd.
San Nicolas en Street Art
Vroeger kwam je als toerist liever niet in San Nicolas, de stad in het zuidoosten bij de olieraffinaderij. Dat is compleet veranderd. Het is nu het culturele hart van het eiland met waanzinnige muurschilderingen (murals). Loop een rondje door de hoofdstraat, drink wat bij Charlie’s Bar (een instituut vol prullaria aan de muren en plafond) en proef de sfeer die hier veel Caraïbischer aanvoelt dan in het Amerikaanse Oranjestad.
Conclusie
Aruba is makkelijk lief te hebben. Het is veilig, het water is kraakhelder en de mensen zijn oprecht vriendelijk (“Bon Bini” is niet alleen een kreet). Is het het meest avontuurlijke eiland ter wereld? Nee. Is het goedkoop? Absoluut niet. Maar voor een vakantie waar je gegarandeerd zon hebt, lekker eet en volledig tot rust komt met een klein beetje Nederlands comfort op de achtergrond, is het onverslaanbaar.
Mijn advies: blijf niet hangen in je all-inclusive resort. Huur die jeep, ga pastechi eten bij een bakery in Santa Cruz, en kijk hoe de zon in de zee zakt bij Eagle Beach. Dan snap je precies waarom ze die nummerplaten nog steeds niet veranderd hebben.
