Vakantie Dominicaanse Republiek: Tropisch Paradijs in de Caribbean

Laat ik meteen met de deur in huis vallen: de eerste keer dat ik voet zette op Dominicaanse bodem, kreeg ik die bekende klap in mijn gezicht. Je kent het wel. Die muur van vochtige, tropische hitte die je bril direct laat beslaan zodra je de airco van het vliegtuig verlaat. Punta Cana International Airport, met die rieten daken en open zijkanten, zet meteen de toon. Je bent in de Caribbean. En niet zomaar ergens, maar op de plek waar massatoerisme en onontdekte jungle een nogal ongemakkelijk huwelijk hebben gesloten.

De Dominicaanse Republiek is voor veel Nederlanders synoniem aan “onbeperkt cocktails drinken in een resort”. En eerlijk is eerlijk, daar zijn ze steengoed in. Maar als je deze pagina leest op Vakantieregios.nl, ga ik ervan uit dat je net iets meer wilt weten dan alleen welk hotel het grootste zwembad heeft. Ik heb dwars door dit land gereisd, van de luxe stranden in het oosten tot de stoffige wegen richting de Haïtiaanse grens, en ik kan je vertellen: het is een land met twee gezichten.

Het ‘Gouden Kooi’ dilemma: Punta Cana en Bávaro

We kunnen er niet omheen. Het overgrote deel van de vluchten landt in het oosten. Punta Cana is eigenlijk geen stad, het is een aaneenschakeling van gigantische resorts langs een kustlijn die – ik moet het toegeven – belachelijk mooi is. Het zand is echt zo wit als op de foto’s en de palmbomen hangen precies scheef genoeg.

Als je doel is om een week lang absoluut niets te doen en je hersenen uit te zetten, is dit de hemel. De service is met die typische Dominicaanse glimlach (en een beetje “island time” traagheid, wen er maar vast aan). Maar besef wel: dit is een bubbel. De prijzen zijn in dollars, de sfeer is Amerikaans en je ziet weinig van het echte leven.

Mijn advies als je hier zit? Ga in ieder geval één dag dat resort uit. En nee, dan bedoel ik niet met zo’n georganiseerde tourbus naar een souvenirwinkel. Pak een taxi of regel een lokale gids en rij naar Higüey om de basiliek te zien. Het is een betonnen kolos die pijn doet aan je ogen, maar het is wel het échte religieuze hart van de regio.

Voor de avonturiers: Schiereiland Samaná

Hier wordt het pas echt interessant. Als vrienden mij vragen “waar moet ik heen?”, stuur ik ze bijna altijd naar Samaná. Dit schiereiland in het noordoosten is groener dan groen. Het regent hier vaker, dat wel, maar daardoor heb je wouden die aan Jurassic Park doen denken.

Het absolute hoogtepunt – en dit is iets wat je echt moet timen – zijn de bultrugwalvissen. Tussen half januari en eind maart komen duizenden walvissen naar de baai van Samaná om te paren en te bevallen. Ik heb op veel plekken walvissen gezien, maar nergens sprongen ze zo dicht bij de boot als hier. Het is geen garantie, maar de kans is enorm groot.

Wat je hier ook vindt, is de El Limón waterval. Een waarschuwing is hier wel op zijn plaats. Je wordt vaak aangeboden om dit te paard te doen. Die paarden zijn soms in twijfelachtige conditie en de paden zijn modderig en steil. Ik loop liever. Het is een pittige tocht, je zweet je kapot, maar die duik in het koude water onderaan de waterval voelt dan tien keer beter.

De Noordkust: Puerto Plata, Sosúa en Cabarete

De noordkust heeft een totaal andere ‘vibe’ dan Punta Cana. Het zand is hier goudgeel, soms zelfs wat bruinig, en de zee is ruiger. Dit is de Atlantische Oceaan, niet de kalme Caribische Zee van het zuiden.

Cabarete is dé plek als je niet stil kunt zitten. Het is wereldbekend om het kitesurfen. Zelfs als je zelf niet surft, is het spectaculair om met een biertje (een ‘Presidente’, ijskoud, want anders is ‘ie niet te drinken) naar het spektakel te kijken. De sfeer is hier jong, een beetje hippie-achtig en veel losser dan in de strakke resorts. ’s Avonds veranderen de strandtentjes in dansvloeren. Verwacht veel Bachata en Merengue. De Dominicanen hebben ritme in hun DNA; probeer ze niet na te doen, je verliest het toch.

Santo Domingo: Chaos met karakter

Veel toeristen slaan de hoofdstad over en dat is zonde, al snap ik het wel. Santo Domingo is druk, luid en het verkeer is een absolute nachtmerrie. Verkeersregels zijn hier meer… suggesties. Maar midden in die chaos ligt de ‘Zona Colonial’.

Dit is waar Columbus (of zijn zoon, daar zijn de historici het over aan het bekvechten) zijn stempel drukte. Je loopt hier over de oudste geplaveide straten van de “Nieuwe Wereld”. De gebouwen zijn prachtig gerestaureerd. Het contrast is bizar: je hebt 16e-eeuwse kathedralen naast moderne koffietentjes.

Ga hier ’s avonds naar Plaza de España. Er wordt vaak live muziek gespeeld, mensen dansen op straat en de sfeer is magisch. Het voelt veel authentieker dan de “Dominicaanse avond” in je hotel.

Eten en drinken: Verder dan het buffet

In de resorts krijg je vaak een verwaterde versie van lokaal eten. Wil je weten hoe de Dominicaanse Republiek echt smaakt? Zoek dan naar een ‘Comedor’. Dat zijn simpele eettentjes waar de locals lunchen.

  • Probeer absoluut Mofongo. Het is een soort torentje van gestampte bakbanaan met heel veel knoflook en varkensknabbels (chicharrón). Het is zware kost – niet eten als je nog wilt gaan zwemmen – maar enorm smaakvol.
  • Als ontbijt is Mangú een klassieker: wederom gestampte bananen, maar dan met gebakken kaas, salami en uien. Ze noemen het “Los Tres Golpes” (de drie klappen). Na zo’n ontbijt heb je tot het avondeten geen honger meer.
  • En dan de Rum. Brugal, Barceló, Bermudez. De “drie B’s”. Drink het puur of met cola, maar laat de dure mixjes staan. De ‘Vintage’ versies zijn vaak goedkoper dan je zou verwachten in de supermarkt en prima te drinken als een cognac.

Praktische zaken (waar niemand je over vertelt)

Het plannen van een reis naar de Dominicaanse Republiek vergt net iets meer voorbereiding dan een tripje naar Spanje. Hier zijn wat dingen die ik door schade en schande heb geleerd.

Geldzaken en ‘Hustlers’

Je kunt bijna overal met Amerikaanse dollars betalen, maar is het slim? Nee. De wisselkoers die ze in winkels hanteren is vaak dramatisch nadelig voor jou. Pin gewoon Dominicaanse Peso’s bij een betrouwbare bankautomaat (liefst eentje die in een bankgebouw staat, niet los op straat). Zorg voor veel klein geld. Fooi geven is essentieel hier. Kamermeisjes, kofferdragers, gidsen – hun salaris is laag en ze rekenen op die paar honderd peso’s extra.

Veiligheid: Feiten vs. Fictie

Er worden soms griezelverhalen verteld over de veiligheid. Mijn ervaring? Gebruik je boerenverstand. De resorts zijn zwaarbewaakt. Buiten de resorts moet je gewoon niet met dure sieraden zwaaien of ’s nachts in je eentje door donkere steegjes in Santo Domingo lopen. Het grootste gevaar is eigenlijk het verkeer. Oversteken is een kunst op zich en zelf autorijden raad ik alleen aan als je stalen zenuwen hebt. Motoconchos (motortaxi’s) zijn goedkoop en overal, maar ze rijden als gekken en een helm is een zeldzaamheid. Stap er alleen achterop als je het risico snapt.

Beste Reistijd

Technisch gezien is het orkaanseizoen van juni tot november. Moet je dan wegblijven? Niet per se. Ik ben er in september geweest en had prachtig weer, op één flinke tropische storm na. Maar juli en augustus zijn wel verstikkend heet. De beste maanden zijn wat mij betreft februari tot mei. Dan is de luchtvochtigheid iets lager, zijn de avonden aangenaam en is de kans op stormen minimaal.

De Dominicaanse Republiek is wat je er zelf van maakt. Je kunt er twee weken lang in luxe vegeteren, en dat is prima. Maar als je de moeite neemt om de taal een beetje te proberen (een paar woorden Spaans openen deuren), de lokale bus (Guagua) pakt en die mofongo durft te bestellen, ontdek je een land dat veel rijker, chaotischer en mooier is dan de reisbrochures laten zien.