Laten we eerlijk zijn: er zijn weinig plekken in Europa die zo tot de verbeelding spreken als Zuid-Spanje. Andalusië is niet zomaar een bestemming; het is een aanval op je zintuigen. De geur van oranjebloesem in Sevilla, het stof van de droge vlaktes rondom Córdoba, en natuurlijk die onverbiddelijke zon die zelfs in oktober nog fel kan zijn. Ik heb deze regio nu een keer of vier doorkruist, en elke keer als ik de huurauto start op de luchthaven van Málaga, voelt het weer als thuiskomen.
Deze route is geen afvinklijstje. Als je haast hebt, moet je een groepsreis boeken waar je in een bus wordt gejaagd. Dit is een roadtrip voor mensen die willen stoppen voor een café con leche in een dorpje waar niemand Engels spreekt, en die niet bang zijn om hun zijspiegel in te klappen in een net iets te smal steegje in Granada.
De start: Málaga en de huurauto-struggle
De meeste mensen landen in Málaga, pakken de auto en scheuren direct door. Zonde. Málaga heeft de afgelopen tien jaar een enorme transformatie ondergaan. Het is niet langer dat grauwe havenstadje. De Mercado Central de Atarazanas is geweldig voor verse vis, en het slenteren langs de haven (Muelle Uno) bij zonsondergang is gewoon fijn.
Maar goed, de auto. Hier gaat het vaak mis. Ik zal je een tip geven die je veel stress gaat besparen: huur niet de grootste auto die je budget toelaat. Een Fiat 500 of een Polo is je beste vriend hier. De parkeergarages in Andalusische steden zijn ontworpen in een tijd dat mensen zich nog per ezel verplaatsten. Ik heb ooit met een stationwagen vastgestaan in de parkeergarage van Cádiz. Het kostte me drie jaar van mijn leven en een halve koppelingsplaat om eruit te komen. Klein is fijn.
Nog zoiets: let op de tankregeling ‘full-to-full’. Laat je geen ‘full-to-empty’ aansmeren, want dan betaal je de hoofdprijs voor een tank benzine plus ‘servicekosten’. Gewoon niet doen.
Stop 1: Nerja en Frigiliana
In plaats van direct het binnenland in te duiken, rijden we eerst een stukje oostwaarts langs de kust. Nerja is toeristisch, ja, maar het ‘Balcón de Europa’ blijft indrukwekkend. Het echte pareltje ligt echter net iets hoger in de bergen: Frigiliana.
Dit is hét prototype van een Pueblo Blanco. Witgekalkte muren, bloempotten in felblauw en rood, en straatjes die steil genoeg zijn om je kuiten te laten branden. Het is hier prachtig, maar kom vroeg. Tegen 11:00 uur stromen de tourbussen binnen. Als je er om 09:00 uur bent, heb je het dorp voor jezelf en kun je die perfecte foto maken zonder veertig andere toeristen op de achtergrond.
Stop 2: Granada en de gratis tapas-cultuur
De rit van de kust naar Granada is spectaculair. Je ziet het landschap veranderen van subtropisch naar ruig berggebied. En dan doemt de Sierra Nevada op. Zelfs in het voorjaar zie je vaak nog sneeuw op de toppen, terwijl jij beneden in je t-shirt loopt.
Granada is mijn persoonlijke favoriet. Het heeft een rauw randje wat Sevilla soms mist. En dan is er natuurlijk het Alhambra. Luister goed: boek je tickets maanden van tevoren. Ik meen het. Ik heb mensen huilend bij de kassa gezien omdat ze dachten “we kijken wel even”. Niet doen. Het is uitverkocht. Altijd.
Het Albaicín dilemma
Je wilt waarschijnlijk slapen in de oude Moorse wijk, het Albaicín. Het uitzicht op het Alhambra is daar onbetaalbaar. Maar rijd er niet met je eigen auto in tenzij je stalen zenuwen hebt. De straten zijn geplaveid met kasseien, spekglad als het regent, en soms zo smal dat je de muren aan beide kanten kunt aanraken vanuit je raam. Parkeer in een garage aan de rand en pak een taxi of de bus naar je hotel.
Wat Granada echt uniek maakt, is de tapascultuur. Bestel je een biertje of een glas wijn? Dan krijg je er eten bij. Gratis. Geen bakje nootjes, maar een bordje migas, een broodje ham of gefrituurde vis. Na drie drankjes heb je eigenlijk al avondeten gehad. Bar Los Diamantes is een legende hier voor gefrituurde vis – luidruchtig, chaotisch, TL-verlichting, maar het eten is top.
Stop 3: Córdoba – De oven van Spanje
Vanuit Granada rijd je door een oneindige zee van olijfbomen naar Córdoba. Ze zeggen wel eens dat Jaén de olijfhoofdstad is, maar de hele route N-432 is in feite één grote olijfgaard.
Córdoba in de zomer is een ervaring op zich. De temperaturen tikken hier makkelijk de 40 of 45 graden aan. Er is geen zeebries, er is alleen hitte die in de stenen trekt en er ’s nachts weer uitkomt. Waarom ga je toch? Voor de Mezquita.
Stel je voor: je loopt een moskee binnen met honderden rood-witte bogen, een woud van zuilen. En dan, midden in dat gebouw, staat ineens een enorme katholieke kathedraal. Keizer Karel V zei ooit, nadat hij toestemming had gegeven voor de bouw van de kerk in de moskee: “Jullie hebben iets vernietigd wat uniek was in de wereld, om iets te bouwen wat je overal kunt zien.” Hij had gelijk, maar het resultaat is wel fascinerend bizar.
Probeer hier ook zeker de Salmorejo. Het is de dikkere, rijkere broer van de Gazpacho, vaak geserveerd met stukjes jamón en ei.
Stop 4: Sevilla – Passie en pleinen
Sevilla is de diva van Andalusië. Groots, meeslepend en een tikkeltje arrogant. Plaza de España is misschien wel het mooiste plein ter wereld (ja, ik durf die stelling wel aan). De details in het tegelwerk zijn waanzinnig.
Hier moet je het ritme van de locals aanhouden, anders overleef je het niet.
- Ochtend: Bezienswaardigheden bezoeken (Real Alcázar, en ja, ook hier vooraf boeken).
- Middag (14:00 – 17:00): Uitgebreid lunchen en daarna siësta. Alles is toch dicht, probeer het niet eens.
- Avond (na 21:00): De straat op voor tapas en drankjes.
In Sevilla moet je oppassen voor de toeristenvallen rondom de kathedraal. Loop tien minuten de wijk Triana in, aan de overkant van de rivier. Daar is de flamenco vaak authentieker en de rekening een stuk lager. Bestel geen Sangria – dat drinken alleen toeristen. Locals drinken Tinto de Verano: rode wijn met bittere citroenlimonade (gaseosa) en veel ijs. Veel frisser en goedkoper.
Stop 5: De route naar de kust en Cádiz
Na al die cultuur en hitte wil je waarschijnlijk naar het strand. Je kunt terug naar de Costa del Sol, maar ik raad je aan om door te rijden naar de Costa de la Luz. De kust van het licht, aan de Atlantische Oceaan.
Cádiz is de oudste continu bewoonde stad van West-Europa en dat voel je. De straten zijn nauw, de gebouwen verweerd door het zeezout. Het heeft een compleet andere sfeer dan Málaga. Iets ruiger, iets meer Havana (de James Bond film Die Another Day werd hier opgenomen omdat het op Cuba moest lijken).
Vlakbij ligt Tarifa, het mekka voor kitesurfers. Hier waait de Levante, een wind die je soms zowat van het strand blaast. Het is hier surfer-chic: veel hippe tentjes, Volkswagen busjes en een relaxte vibe. Als je op het strand staat, kun je de huizen in Marokko letterlijk zien liggen aan de overkant van de straat van Gibraltar.
De terugweg: Ronda en de Caminito del Rey
Je kunt niet weg uit Andalusië zonder Ronda te zien. De route vanaf de kust omhoog de bergen in is prachtig (wel veel bochten, dus wie wagenziek is: pilletje mee). Ronda wordt in tweeën gespleten door een enorme kloof, de El Tajo. De Puente Nuevo brug die de twee delen verbindt is iconisch. Loop zeker even het pad naar beneden om de brug van onderaf te zien; dat perspectief is veel indrukwekkender dan er alleen overheen lopen.
Rij je terug richting Málaga? Overweeg dan de Caminito del Rey. Vroeger was dit het “gevaarlijkste wandelpad ter wereld”, een vervallen betonnen richel hoog boven een kloof. Tegenwoordig is het volledig gerenoveerd en superveilig (met hekken en helmen), maar het blijft spectaculair. Je loopt echt tegen de rotswand geplakt. Ook hier geldt: weken van tevoren reserveren, want de toegang is gelimiteerd.
Praktische tips voor onderweg
Wegen in Spanje zijn over het algemeen uitstekend. De Autovía (A-wegen) zijn gratis en goed onderhouden. De Autopista (AP-wegen) zijn tolwegen. Vaak loopt er een gratis A-weg parallel aan de tolweg. Het scheelt je misschien 10 minuten, maar wel weer 15 euro.
Nog een dingetje over eten: tijden zijn heilig. Probeer niet om 18:00 uur te dineren. Restaurants zijn dicht, of de keuken is gesloten. Je zult alleen in de slechtste toeristententen terechtkomen waar ze opgewarmde paella uit de magnetron serveren (herkenbaar aan de borden met foto’s van het eten bij de ingang – loop hard weg). Spanjaarden lunchen zwaar rond 14:30 en dineren licht (tapas) rond 21:30 of 22:00.
Beste reistijd
Iedereen vraagt me altijd: “Wanneer moet ik gaan?” Vermijd juli en augustus als het even kan. Echt. Het is niet ‘lekker warm’, het is ondraaglijk heet in het binnenland. Sevilla en Córdoba zijn spooksteden in de middag. Mei, juni, september en oktober zijn perfect. Zelfs in de winter is het aan de kust vaak nog rond de 18-20 graden, ideaal om te wandelen, hoewel het in Granada ’s nachts dan wel kan vriezen.
Andalusië is een regio die onder je huid kruipt. Het ritme, de passie, de chaos en de schoonheid zorgen ervoor dat je, net als ik, waarschijnlijk al tijdens de terugvlucht begint te kijken naar tickets voor volgend jaar. Buen viaje.

