Wat te doen op Kreta: de mooiste bezienswaardigheden

Laat me gelijk met de deur in huis vallen: Kreta is groot. En dan bedoel ik niet “groot voor een eilandje”, maar echt immens. Ik spreek regelmatig mensen die denken dat ze in één weekje “eventjes” het hele eiland kunnen rondtoeren. Vergeet het maar. Van het uiterste westen bij Elafonissi naar het palmenstrand van Vai in het oosten ben je zonder pauzes al gauw vijf tot zes uur aan het sturen. En geloof me, op Griekse wegen wil je pauzes nemen.

Kreta is eigenlijk een land op zich. De cultuur is net even trotser, het eten net even robuuster en de natuur… tja, die gaat van sneeuwtoppen (ja, echt) tot subtropische stranden die niet zouden misstaan in de Caraïben. Ik kom er nu al jaren, en elke keer ontdek ik weer een baai of een bergweggetje waar ik het bestaan niet van wist.

Als je je vakantie plant, pin je dan niet vast op één punt. Maar wat moet je nou écht gezien hebben? Ik heb de plekken eruit gepikt waar ik zelf steeds weer naar terugkeer, of waar je als ‘first-timer’ gewoon niet omheen kunt (ook al zijn ze soms toeristisch). Geen stoffige lijstjes, maar mijn eerlijke mening over de mooiste plekken op dit prachtige eiland.

Het verkeer: even een reality check

Voordat we naar de bezienswaardigheden gaan, even dit: huur een auto. Echt waar. Zonder auto ben je op Kreta nergens, tenzij je twee weken in je resort wilt blijven hangen (zonde!). Het openbaar vervoer is prima tussen de grote steden, maar die verborgen strandjes ga je er niet mee vinden.

Rijden op Kreta is een ervaring apart. De hoofdweg, de ‘New National Road’ die langs de noordkust loopt, is berucht. Officieel is het een tweebaansweg, maar de lokale bevolking heeft daar een andere interpretatie van. Het is de bedoeling dat je half op de vluchtstrook gaat rijden zodat snellere auto’s je in het midden kunnen inhalen. Doe je dat niet, dan krijg je getoeter en lichtsignalen. Het voelt de eerste tien minuten doodeng, daarna weet je niet beter.

De magie van Chania

Als ik moet kiezen tussen Heraklion en Chania, wint Chania het met vlag en wimpel. Heraklion is druk, chaotisch en eerlijk gezegd een beetje lelijk, op een paar plekken na. Chania daarentegen is pure sfeer.

De Venetiaanse haven is het visitekaartje. Ja, de restaurants aan de waterkant zijn duur en de proppers proberen je naar binnen te praten (“Hello my friend, nice table?”), maar loop daar even doorheen. Wandel helemaal naar de vuurtoren op de pier. Vooral tijdens zonsondergang veranderd het licht daar in iets magisch, waarbij de oude gevels goudgeel kleuren.

  • Duik de achterafstraatjes in van de oude stad. Hier vind je geen standaard souvenirwinkels, maar kleine boetiekjes met handgemaakt leer en lokale kunst.
  • Zoek naar ‘Tabakaria’ in de wijk Halepa. Dit zijn de oude leerlooierijen aan het water. Veel is vervallen, maar het is een waanzinnig fotogenieke, rauwe plek waar je bijna geen toeristen ziet.
  • Voor het beste eten ga je weg van de haven. Zoek naar plekken waar Grieken zelf zitten te schreeuwen en te eten. Als de menukaart plaatjes van het eten heeft, loop ik meestal door.

Paradijselijke stranden (met een gebruiksaanwijzing)

Iedereen kent de foto’s van Balos en Elafonissi. Ze staan in elke brochure, en terecht. Maar de realiteit is soms iets weerbarstiger dan de Instagram-plaatjes.

Elafonissi: Het roze strand

Het zand is hier écht roze door verpulverde schelpen. Het water is ondiep en kraakhelder. Maar… het is er druk. In juli en augustus staan de tourbussen rijen dik geparkeerd. Mijn advies? Ga vroeg. Zorg dat je er voor 10:00 uur bent, of ga juist pas na 16:00 uur als de bussen vertrekken. Als je de moeite neemt om door het kniediepe water naar het eilandje tegenover het strand te waden en daar door de duinen naar de achterkant te lopen, heb je plotseling een privéstrandje voor jezelf. De meeste mensen zijn namelijk te lui om die 500 meter te lopen.

Balos Lagoon

Dit is misschien wel het mooiste stukje Griekenland. Je kijkt van bovenaf op een lagune met turquoise water en wit zand. Je hebt twee opties om er te komen, en het is maar net waar je zin in hebt.

Je kunt de boot nemen vanuit Kissamos. Comfortabel, makkelijk, maar je zit wel vast aan de tijden van de boot en je deelt het strand met honderden anderen tegelijk.

De andere optie is met de auto. Let op: dit is een onverharde weg van een kilometer of zeven. De meeste verhuurmaatschappijen dekken geen schade aan de onderkant van de auto of de banden op onverharde wegen. Je ziet er talloze kleine huurauto’s rijden, dus het kan wel, maar je rijdt wel stapvoets en op eigen risico. Aan het eind moet je nog een flink stuk naar beneden lopen (en erger: op de terugweg weer omhoog in de hitte). Het uitzicht tijdens die wandeling is echter onbetaalbaar.

Knossos: Geschiedenis of Efteling?

Je kunt eigenlijk niet naar Kreta zonder het paleis van Knossos te bezoeken, de bakermat van de Minoïsche beschaving en de legende van de Minotaurus. Het ligt vlakbij Heraklion.

Hier is wel iets geks aan de hand. Toen archeoloog Arthur Evans dit begin 20e eeuw opgroef, heeft hij veel dingen ‘gerestaureerd’ met beton en felle verf, gebaseerd op hoe hij dacht dat het eruit zag. Puristen haten het. Toeristen vinden het vaak geweldig omdat je je tenminste iets kunt voorstellen bij de ruïnes.

Een paar praktische tips voor je bezoek:

  • In de zomer is het hier bloedheet. Er is nauwelijks schaduw tussen de stenen. Neem water mee en een hoed.
  • Combineer je ticket met het Archeologisch Museum in Heraklion. Daar liggen de échte originele fresco’s en vondsten. Het museum is onlangs vernieuwd en is echt wereldklasse, met airconditioning (ook niet onbelangrijk).
  • Neem een gids. Zonder uitleg loop je gewoon naar stapels stenen te kijken. Het verhaal maakt de plek.

De kloven: Samaria en het alternatief

De Samariakloof is met zijn 16 kilometer een van de langste kloven van Europa. Het is een klassieker. Je begint bovenop de Omalos-vlakte tussen de geur van dennenbomen en loopt helemaal naar beneden naar de Libische Zee bij Agia Roumeli.

Het is een pittige tocht. Reken op 5 tot 7 uur lopen, grotendeels over losse stenen. De volgende dag heb je spierpijn op plekken waarvan je niet wist dat je spieren had. Het smalste punt, de ‘IJzeren Poort’, is spectaculair; de rotswanden rijzen honderden meters omhoog terwijl de doorgang maar een paar meter breed is.

Vind je 16 kilometer te heftig of heb je kinderen mee? Kijk dan eens naar de Imbroskloof. Deze is ongeveer 8 kilometer, veel rustiger en minstens zo mooi. Je loopt hier veel meer in de schaduw en je bent in een uurtje of 2,5 wel beneden. Aan het einde staan de taxi’s (vaak pickup trucks waar je achterin mag springen) klaar om je terug naar je auto te brengen. Veel relaxter.

Spinalonga: Het eiland van de tranen

In het oosten, bij Elounda, ligt Spinalonga. Tot ver in de 20e eeuw was dit een lepra-kolonie. Mensen die ziek werden, werden hiernaartoe verbannen en kwamen nooit meer terug. Het boek ‘Het Eiland’ van Victoria Hislop heeft deze plek weer op de kaart gezet.

Het is een indrukwekkende plek. Je loopt door de oude poort waar de zieken vroeger binnenkwamen, “de poort van Dante” genoemd omdat men alle hoop liet varen. Toch hadden ze er een heel leven opgebouwd, met winkels, een school en een café.

Je kunt de oversteek maken vanuit het luxe (en dure) Elounda, maar ik pak liever het bootje vanuit Plaka. Dat ligt er recht tegenover, de overtocht duurt maar tien minuten en is goedkoper. Plaka zelf is een schattig dorpje met geweldige visrestaurants aan het water.

Het échte Kreta: Het binnenland en het Zuiden

Wil je weten waar mijn hart ligt? In het zuiden. Plekken als Plakias, Frangokastello of het hippiedorp Matala hebben een heel andere ‘vibe’ dan de noordkust. De zee is hier vaak ruiger, het water dieper blauw en de sfeer relaxter.

In Matala vind je de beroemde grotten in de krijtrotsen waar in de jaren ’60 en ’70 hippies (waaronder Joni Mitchell) woonden. Tegenwoordig is het een toeristische trekpleister en moet je entree betalen om in de holen te kijken, maar ’s avonds als de dagjesmensen weg zijn, hangt er nog steeds een beetje die ‘flower power’ sfeer op het dorpsplein.

En rij ook eens gewoon het binnenland in. De Lassithi-hoogvlakte staat bekend om zijn windmolens. Vroeger waren het er duizenden met witte zeilen om water op te pompen. Nu zijn het goedkope metalen constructies of staan ze er vervallen bij, maar de route ernaartoe is prachtig. Hier vind je ook de Dikteon-grot, volgens de mythe de geboorteplaats van Zeus. Het is een flinke klim naar boven (of je laat je op een ezel hijsen, wat ik persoonlijk wat zielig vind voor de ezel), maar binnenin is het koel en vol stalactieten.

Eten en drinken: meer dan Souvlaki

Je kunt op Kreta niet weggaan zonder ‘Dakos’ te hebben gegeten. Het is een harde scheepsbeschuit (paximadi), die zacht wordt gemaakt met water en olijfolie, en dan bedolven onder geraspte tomaat, feta (of myzithra kaas) en oregano. Simpel, boers, en nergens zo lekker als hier.

En wees voorbereid op de Raki (of Tsikoudia). Na elke maaltijd krijg je ongevraagd een karafje sterke drank en vaak een toetje van het huis (fruit of cake). Dit is gastvrijheid, geen verkooptechniek. Weigeren is eigenlijk geen optie, even nippen wel. En nee, het is geen Ouzo. Ouzo smaakt naar anijs, Raki smaakt naar… nou ja, vuurwater en druiven.

Kreta is een eiland dat onder je huid kruipt. Het is rommelig, luidruchtig en warm, maar de schoonheid is overweldigend. Of je nu voor de geschiedenis komt, de stranden of de wandelingen: neem de tijd. “Siga siga” (langzaam aan) is niet voor niets het levensmotto hier.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *