Eerste keer met de camper op pad? Lees deze onmisbare tips

Je hebt de knoop doorgehakt. Die droom van vrijheid, koffie drinken met uitzicht op een Noors fjord of een Toscaanse wijngaard, gaat nu eindelijk gebeuren. De camper is geboekt (of misschien heb je er in een impulsieve bui zelfs eentje gekocht), en de routekaarten liggen op tafel. Maar dan slaat, heel even, de twijfel toe.

Want laten we eerlijk zijn: zo’n wit gevaarte besturen is toch even andere koek dan je dagelijkse ritje in de Volkswagen Golf naar kantoor. Ik weet nog goed mijn allereerste keer. Zweethanden aan het stuur bij het wegrijden van het verhuurbedrijf, en bij elke rotonde bang dat ik de achterkant in de bloembakken zou parkeren. Spoiler: het viel mee, maar ik had wel wat dingen willen weten vòòrdat ik dat ding de snelweg op draaide.

Vergeet even de gelikte Instagram-plaatjes waar alles perfect is. Camperen is geweldig, maar het is ook gewoon werken. Water sjouwen, cassette-toiletten legen en navigeren door straatjes die nét iets te smal zijn voor je gemoedsrust. Om te voorkomen dat je vakantie begint met een schadeformulier of een echtelijke ruzie op de eerste de beste camping, heb ik de tips verzameld die er écht toe doen. Geen open deuren, maar praktijklessen.

Je bent groter dan je denkt (en Google Maps weet dat niet)

Dit is valkuil nummer één. Je tikt je bestemming in op Google Maps of Waze, en die apps kiezen vrolijk de “snelste” route. Vaak sturen ze je dwars door pittoreske Franse dorpjes met balkonnetjes die vervaarlijk ver uitsteken, of over bergweggetjes waar je hoopte nooit een tegenligger tegen te komen.

Google Maps houdt géén rekening met de afmetingen van je camper. Een alkoof-camper is al snel meer dan 3 meter hoog en 2,30 meter breed. Dat betekent dat dat leuke tunnelletje in het centrum van Rouen ineens je grootste nachtmerrie wordt. Schrijf de afmetingen van je camper (lengte, breedte én hoogte) op een post-it of stuk schilderstape en plak dit op je dashboard, ergens waar je het altijd ziet. Als je dan een bord “max 2.8m” ziet, hoef je niet in paniek te rekenen.

Investeer eventueel in een truck-navigatie of een speciale camper-app als je veel binnendoor gaat rijden. En bij twijfel? Stap uit en ga kijken. Of negeer de navigatie en blijf op de hoofdweg (de N-wegen of D-wegen). Beter tien minuten omrijden dan vastzitten onder een spoorbruggetje.

Het gewicht is je vijand (3500 kg is heilig)

In Nederland wordt er zelden op gecontroleerd, maar in landen als Oostenrijk en Zwitserland zijn ze meedogenloos. De meeste campers mag je besturen met een B-rijbewijs, wat betekent dat het totale gewicht niet boven de 3.500 kilo mag uitkomen. Klinkt als heel wat, toch?

Nou, reken maar even mee. Een beetje camper weegt leeg – en dan bedoel ik écht leeg, zonder water en diesel – al snel rond de 2.900 tot 3.000 kilo. Gooi de tank vol diesel (80kg), vul de watertank (100kg), en tel het gewicht van jou en je passagiers erbij op. Dan heb je nog geen kratje bier, geen kleding, geen campingstoelen en geen elektrische fietsen ingeladen.

Ik heb mensen gezien die hun halve inboedel op de parkeerplaats langs de Autobahn moesten achterlaten omdat ze 200 kilo te zwaar waren. Reis licht. Neem geen aardappelen mee van thuis (die hebben ze in Spanje ook) en vul je schoonwatertank pas op de plaats van bestemming, of vul hem maar voor 20% voor onderweg. Dat scheelt zo tachtig kilo en het rijdt ook nog eens stabieler omdat het water niet klotst in de bochten.

De beruchte ‘C-stekker’ en andere stroomzaken

Je komt aan op de camping, je hebt de camper eindelijk waterpas staan (daarover zo meer), en je wilt de stroom aansluiten voor de koelkast en de airco. En dan sta je daar met je huis-tuin-en-keuken verbergsnoer.

Op campings gebruiken ze de blauwe CEE-stekkers. Zorg dat je een verloopstekker hebt van CEE naar een gewoon stopcontact, én een lange CEE-kabel van minstens 20 meter. Soms staat de stroompaal namelijk aan de andere kant van het veld.

  • Controleer altijd even hoeveel ampère de stroompaal levert. In Italië krijg je soms maar 3 of 4 ampère. Als je dan de Senseo en de waterkoker tegelijk aanzet, klapt de zekering eruit en moet je beschaamd naar de receptie lopen.
  • Rol je kabelhaspel altijd helemaal af, ook al heb je maar drie meter nodig. Een opgerolde kabel die zwaar belast wordt, wordt een soort inductiespoel en kan smelten. Heb ik zelf een keer gehad in Kroatië – stinkt verschrikkelijk en is ronduit gevaarlijk.
  • Neem voor de zekerheid ook een “franse” verloopstekker mee als je die kant op gaat, al zie je die steeds minder.

Het ritueel van de cassette (ja, poep dus)

Niemand praat er graag over bij de borrel, maar als camperaar ontkom je er niet aan: de toiletcassette. Het is waarschijnlijk het minst glamoureuze onderdeel van je vakantie, maar wel essentieel.

Je hebt chemische vloeistof nodig om nare geurtjes af te breken. Vroeger was dat altijd die knalblauwe vloeistof, maar tegenwoordig is de groene variant (biologisch afbreekbaar) verplicht op veel groene campings. Gebruik ook speciaal, snel oplosbaar toiletpapier. Doe je dat niet, dan sta je bij het punt waar je de cassette moet legen te schudden met die tank omdat er een prop ‘normaal’ papier voor de uitgang zit. Geloof me, dat wil je niet meemaken terwijl er drie mensen achter je staan te wachten.

En, kleine tip van een ervaringsdeskundige: laat de schuif van het toilet in de camper dicht als je niet op de pot zit, maar zorg dat hij absoluut open is tijdens het gebruik. Het lijkt logisch, maar in de haast vergeten beginners dit nog wel eens, met alle schoonmaakgevolgen van dien.

Wiebeltolerantie en de kunst van het waterpas staan

Je hebt geparkeerd. De motor is uit. Je loopt naar achteren en je voelt dat je eigenlijk ‘bergop’ loopt naar het bed toe. Of erger: je ligt in bed en al het bloed stroomt naar je hoofd omdat de neus van de camper lager staat.

Een camper staat zelden uit zichzelf recht. Daarom zijn oprijblokken (die gele of zwarte keggen) onmisbaar. Het vergt in het begin even wat communicatie tussen de bestuurder en de bijrijder (“Nog een beetje! Nee, te ver! Nu ben je er weer overheen gereden!”), maar het went snel. Er zijn handige apps die als waterpas fungeren op je telefoon. Leg je telefoon op de vloer of tafel en je ziet precies welk wiel op een blok moet.

Waarom is dit belangrijk? Niet alleen voor je slaapcomfort. De afvoer van je douche en gootsteen loopt vaak niet goed door als je scheef staat, en – heel belangrijk – oudere absorptie-koelkasten (die op gas werken) koelen slechter als ze niet waterpas staan. Niemand wil lauw bier.

Rammelvrij rijden is een utopie (maar je kunt het proberen)

De eerste kilometers in een camper klinken vaak alsof er een servieskast van de trap valt. Alles rammelt. Bestek in de lade, borden tegen elkaar, de glasplaat van het fornuis.

Het hoort er een beetje bij, maar je kunt de ergste herrie voorkomen. Leg theedoeken tussen je borden of gebruik speciale antislipmatjes. Voor glazen zijn er handige houders, of je bewaart ze in de originele doos in de kastjes. Zelf stop ik vaak wandelsokken om wijnflessen heen voordat ik ze in een kastje leg. Geen gerinkel, en ze breken niet.

Check voor vertrek ook altijd even of alle bovenkastjes écht goed dichtzitten. Er is niets zo schrikken als in een scherpe bocht ineens een pak hagelslag door de cabine zien vliegen omdat het slotje niet goed pakte.

De ‘Camperplaats’ versus de Camping

Als nieuwkomer denk je misschien dat je altijd op een camping moet staan. Maar ontdek vooral ook de specifieke camperplaatsen (CP’s). Dit zijn vaak eenvoudigere plekken, soms gewoon een deel van een parkeerplaats, speciaal voor campers. Je betaalt er vaak een tientje of zelfs helemaal niets.

Er is wel een ongeschreven gedragscode, zeker in landen als Frankrijk en Duitsland. Op een camping mag je alles uitstallen: luifel uit, tafel buiten, waslijn spannen, barbecue aan. Op een simpele camperplaats of parkeerplaats wordt dat gezien als “campinggedrag” en dat wordt vaak niet gewaardeerd (of is zelfs verboden). Daar is het: parkeren, slapen, en weer weg. Wil je twee weken met je voeten in het gras zitten? Ga dan naar een camping.

Apps als Park4Night of Campercontact zijn goud waard. Je ziet direct reviews van andere gebruikers, wat handig is om te checken of een plek veilig voelt en of de bakker ’s ochtends in de buurt is.

Geniet van de traagheid

Dit is misschien wel de belangrijkste tip die niets met techniek te maken heeft. Een campervakantie is slow travel. Met een zwaarbeladen camper rijd je geen 130 over de Autoroute du Soleil. Je kruissnelheid zal eerder rond de 100 of 110 liggen. En zodra het heuvelop gaat, mag je blij zijn als je de 80 aantikt.

Plan je reis daarop. In een personenauto rijd je makkelijk in één dag naar Zuid-Frankrijk. Met een camper ben je na 600 kilometer vaak echt wel gesloopt door het lawaai, de concentratie en de trillingen. Stel je in op kortere etappes. Het vakantiegevoel begint zodra je de sleutel omdraait, niet pas als je op de bestemming bent. Stop eens bij dat meertje dat je toevallig ziet. Zet koffie op een parkeerplaats met uitzicht. Dat is de luxe die je bij je hebt.

De eerste keer ga je ongetwijfeld fouten maken. Je vergeet de luifel in te draaien, je laat de trap uitstaan bij het wegrijden (iedereen doet dat één keer, en daarna nooit meer door het kabaal), of je moet drie keer steken voordat je recht staat. Lach erom. Zwaai naar andere camperaars – dat doet iedereen – en geniet. Want als het campervirus je eenmaal pakt, wil je nooit meer in een hotelkamer.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *