Eilandhoppen in Griekenland: ontdek de mooiste bestemmingen

Ik vergeet nooit die eerste keer op de haven van Piraeus. De chaos, de hitte, de geur van diesel en geroosterde noten, en die mannetjes in fluo hesjes die schreeuwen en fluiten alsof het leven ervan afhangt. “GREEEEGAAA! PAROOOOS! NAXOOOOS!” Je denkt even: waar ben ik aan begonnen? Maar zodra die enorme laadklep van de Blue Star Ferry omhoog gaat en je met een (veel te dure) ijskoffie op het achterdek staat terwijl Athene langzaam in de smog verdwijnt… ja, dan voel je het. Dat is eilandhoppen.

Griekenland heeft ergens rond de 6.000 eilanden, waarvan er zo’n 227 bewoond zijn. Je kunt dus letterlijk je hele leven blijven terugkomen en nog steeds nieuwe plekken ontdekken. Maar laten we eerlijk zijn: je kunt niet alles zien in twee weken. De grootste fout die ik mensen zie maken? Te veel willen. Ze proberen vijf eilanden in tien dagen te proppen en eindigen uitgeput op een veerboot met een kater van de tijdsdruk.

Laten we eens kijken hoe je dit aanpakt zonder gek te worden, welke regio’s écht de moeite waard zijn, en waar je de beste moussaka vindt (hint: meestal niet in de havenrestaurants met de gelamineerde menukaarten).

Eerst even praktisch: de logistiek van de veerboten

Iedereen heeft dat romantische beeld van eilandhoppen: je loopt naar de haven, koopt een kaartje en springt op de volgende boot. Vroeger kon dat prima. Tegenwoordig, zeker in juli en augustus, is dat Russische roulette spelen met je vakantieplannen.

Je hebt in Griekenland grofweg twee smaken qua vervoer:

  • De grote ‘slow ferries’ (zoals Blue Star). Dit zijn drijvende flats. Ze gaan langzaam, ze zijn stabiel, en je kunt lekker buiten op het dek zitten. Voor mij is dit de echte ervaring. Je betaalt vaak de helft van de prijs van een snelle boot. Reken op zo’n 30 tot 50 euro voor een standaardritje in de Cycladen.
  • De ‘highspeed’ catamarans (zoals Seajets). Ze scheuren over het water, je zit binnen vastgeplakt aan je stoel (buiten mag vaak niet), en als de zee ook maar een beetje ruw is, verandert de cabine in een soort collectief kotsfestijn. Ze zijn duurder, maar wel twee keer zo snel. Als je weinig tijd hebt: doen. Als je snel zeeziek wordt: succes.

Een tip van iemand die het op de harde manier heeft geleerd: boek je tickets vooraf als je in het hoogseizoen gaat. Websites zoals Ferryhopper werken eigenlijk vlekkeloos. En let op de stakingen (het blijft Griekenland). De 1e mei is bijvoorbeeld standaard een dag dat er geen enkele boot vaart.

De Cycladen: De witte huisjes en blauwe koepels

Dit is het Griekenland van de ansichtkaarten. Als je voor het eerst gaat eilandhoppen, is dit de regio waar je waarschijnlijk begint. Het licht is hier anders, feller. De eilanden zijn kaal, rotsachtig en indrukwekkend.

Santorini & Mykonos: De grote namen

Kijk, ik ga niet zeggen dat je ze moet overslaan. De caldera van Santorini binnenvaren is magisch. Het uitzicht vanaf Oia tijdens zonsondergang is wereldberoemd. Maar weet wel dat je schouder aan schouder staat met duizenden cruisetoeristen. Mijn advies? Blijf er twee nachten. Huur een quad, zie het uitzicht, eet een fava (lokale bonenpuree), en pak snel de boot naar een rustiger eiland. Mykonos is prachtig, zeker ‘Little Venice’, maar neem een dikke portemonnee mee. Een biertje voor 12 euro is daar geen uitzondering.

De betere opties: Naxos, Paros en Milos

Hier wordt het leuker. Naxos is het grootste eiland van de Cycladen en verrassend groen in het binnenland. Je hebt hier nog echte landbouw, waardoor het eten waanzinnig goed is. De lokale aardappelen en kazen (Graviera Naxou) zijn beroemd in heel Griekenland. Het is groot genoeg om de massa te ontlopen.

Paros is de laatste jaren hip geworden – een soort Mykonos-lite, maar dan gezelliger. Naoussa is misschien wel het meest fotogenieke vissersdorpje van de hele eilandengroep. En dan Milos… man, Milos is bizar. Door de vulkanische oorsprong heb je daar stranden die eruitzien alsof je op de maan bent geland, zoals Sarakiniko (witte rotsen, azuurblauw water). Ga hierheen voordat het net zo druk wordt als Santorini.

Kleine Parels: Koufonisia en Folegandros

Wil je echt rust? Pak de boot naar Koufonisia. Er rijden nauwelijks auto’s, je kunt alles lopen of fietsen, en het water is er zo helder dat het bijna nep lijkt. Folegandros heeft een van de mooiste Hora’s (hoofstadjes) die bovenop een klif balanceert. Geen massatoerisme, wel pure sfeer.

De Ionische Eilanden: Groen, groener, groenst

Aan de andere kant van Griekenland, richting Italië, liggen de Ionische eilanden. Vergeet de kale rotsen van de Cycladen; hier zie je cipressen, olijfbomen tot in de zee en pastelkleurige huizen met Venetiaanse invloeden.

Zakynthos kennen we allemaal van ‘Shipwreck Beach’. Ja, het is een prachtig strand. Nee, je bent er niet alleen. Het eiland heeft helaas in sommige delen een wat ordinair imago gekregen door het Britse feesttoerisme in Laganas, maar de rest van het eiland is adembenemend mooi.

Kefalonia is mijn favoriet in deze hoek. Het is enorm, dus die huurauto heb je echt nodig. Het strand Myrtos beach staat op elke poster, maar rijd eens naar het dorpje Assos of Fiskardo. Omdat Kefalonia zo groot is, voelt het zelden verstikkend druk. Het is een eiland voor mensen die van roadtrips houden.

Corfu (Kerkyra) in het noorden is de dame van de groep. De oude stad staat op de UNESCO-lijst en voelt meer als een Italiaanse stad dan een Grieks dorp. Hier drink je geen Ouzo, maar Gemberbier (een overblijfsel van de Britten) en kijk je cricket op het grote grasveld in de stad. Echt een andere vibe.

De Dodekanesos: Dichtbij Turkije

Rhodos en Kos zijn de bekendste namen hier. Rhodos is fantastisch als je van geschiedenis houdt; die oude binnenstad is een van de best bewaarde middeleeuwse steden van Europa. Maar als je gaat eilandhoppen, kijk dan eens verder.

Symi is bijvoorbeeld een absolute aanrader. Als je de haven binnenvaart, zie je honderden neoklassieke herenhuizen in oker en terracotta tegen de heuvels geplakt. Het is chiquer, rustiger. Patmos is ook bijzonder – het eiland van de Apocalyps (Johannes schreef hier zijn openbaring) heeft een spirituele sfeer, maar trekt ook een artistiek publiek.

De Sporaden: Mamma Mia vibes

Letterlijk. Want Skopelos (waar de eerste Mamma Mia film is opgenomen) ligt hier. Het groen van de dennenbossen loopt hier door tot op de stranden. Skiathos is klein, heeft een vliegveld met een landingsbaan waar je bijna je haar aan brandt als er een vliegtuig overkomt, en heeft waanzinnige zandstranden. Alonissos is voor de natuurliefhebbers; hier zit een groot marien park waar je met een beetje geluk de zeldzame monniksrob kunt spotten.

De Meltemi: De grote spelbreker

Dit is iets wat in reisbrochures vaak wordt weggemoffeld: de wind. In de Cycladen waait in juli en augustus vaak de ‘Meltemi’. Dit is geen briesje. Dit is een serieuze noordenwind die dagenlang kan aanhouden.

Waarom vertel ik dit? Omdat het invloed heeft op je plannen. Als de Meltemi waait, wil je niet op een klein bootje zitten. Stranden aan de noordkant van de eilanden veranderen in zandstraal-machines. Vraag bij je hotel of appartement altijd: “Welk strand is vandaag goed?” De locals weten precies waar je uit de wind zit. Het voordeel? Het wordt zelden ondraaglijk heet in de Cycladen dankzij die wind.

Wat kost dat nou?

Griekenland is niet meer het spotgoedkope land van twintig jaar geleden. Zeker niet op de populaire eilanden. Maar je hebt de kosten zelf in de hand.

  • Accommodatie varieert enorm. In augustus betaal je de hoofdprijs (120+ euro per nacht voor iets simpels is normaal). Ga je in juni of september (de beste maanden!), dan heb je voor 60-70 euro vaak al een prima studio.
  • Eten is nog steeds betaalbaar als je slim bent. Een gyros pita uit het vuistje kost tussen de 3,50 en 5 euro. Een uitgebreid diner met wijn in een taverna komt vaak uit op 25-30 euro per persoon. Blijf weg van plekken waar “photos of food” buiten hangen.
  • Veerboten tikken aan. Een rondje eilandhoppen met 4-5 overtochten kan zomaar 200 à 300 euro p.p. kosten als je snelle boten neemt.

Mijn perfecte route voor 2 weken

Als mensen me vragen: “Ik wil gewoon de Griekse sfeer proeven, wat moet ik doen?”, dan stuur ik ze vaak op deze route:

Vlieg op Athene. Pak de metro naar Piraeus. Neem de avondferry naar Naxos (4 nachten). Huur een auto, bezoek de bergdorpjes. Pak dan de boot naar Amorgos (3 nachten) – dit eiland is ruig, authentiek en waar de film ‘The Big Blue’ is opgenomen. Het klooster dat tegen de rotswand hangt is bizar. Eindig met Koufonisia (3 nachten) om helemaal niks te doen behalve zwemmen en vis eten. Ga dan terug naar Athene of vlieg terug vanaf Santorini (dat ligt in de buurt).

Tot slot

Je kunt alles plannen, elke boot vastleggen en elk hotel boeken. Maar de beste momenten in Griekenland zijn de momenten die je niet zag aankomen. Die oude vrouw die je een vijg aanbiedt omdat je naar haar tuin staat te kijken. Die keer dat de bus niet komt en je een lift krijgt van een boer in een pick-up truck. Of dat ene restaurantje waar geen menu is, maar waar je gewoon de keuken in wordt getrokken om in de pannen te kijken.

Sigá sigá (rustig aan). Het komt wel goed. De boot komt wanneer hij komt. En als hij niet komt? Dan bestel je nog een Freddo Cappuccino en kijk je naar de zee. Er zijn ergere dingen in het leven.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *